INTERVIEW. Filip Canfyn: “Een column is iets vluchtigs. Maar 500 samen: dat geeft toch een zeker gewicht.”
Vijfhonderd columns. Twaalf jaar lang. Steen & Been groeide uit tot een vaste waarde binnen Architectura en ver daarbuiten. Die mijlpaal konden we niet onopgemerkt laten voorbijgaan. We organiseerden een verrassingsevent voor Filip Canfyn, waarbij een diverse groep van architecten, ontwikkelaars en beleidsmakers samenkwam – mensen die hem kennen én zijn bezorgdheden delen rond thema’s als woonbetaalbaarheid, de positie van de architect en het ongebreidelde ruimtebeslag in ons land. Tijdens het event gingen we ook met elkaar in gesprek over die terugkerende thema’s. De komende weken brengen we daarvan uitgebreid verslag uit. Maar beginnen doen we met een interview met onze huiscolumnist zelf.
Hoe kijk je terug op die vijfhonderd afleveringen van Steen & Been?
Filip Canfyn: “Vijfhonderd afleveringen betekent ook twaalf jaar, en dat is lang — zelfs voor mij. Wat mij vandaag vooral heeft verrast, is hoeveel impact die columns blijkbaar hebben gehad bij mensen die ik zelf apprecieer. Het is ook echt een métier geworden. De eerste stukken waren veel moeilijker dan de laatste, en ik hoop dat de laatste ook beter zijn dan de eerste. Wat het voor mij zo boeiend maakt, is dat je via architectuur, stedenbouw en aanverwante thema’s een vorm van maatschappelijke betrokkenheid kunt tonen. Een column blijft natuurlijk iets vluchtigs: je leest het, het blijft even hangen en verdwijnt weer. Maar als je er vijfhonderd samenlegt, dan krijgt dat toch een ander gewicht dan één losse tekst.”
Wat is volgens jou de grote sterkte van Steen & Been?
Filip Canfyn: “Ik denk in de eerste plaats de consequentie. En ook de zorgvuldigheid, zowel in het ontwikkelen van ideeën als in het formuleren ervan. Ik werk er echt hard aan. Ik kan me enorm ergeren als er een taalfout blijft staan, zeker omdat ik er vaak drie à vier dagen aan werk. Het schrijven zelf gaat vlot, maar het schaven en condenseren vraagt tijd. Ik denk dat mensen dat voelen: het is geen vluchtig stukje, er zit werk en vakmanschap in. En ik probeer ook helder te zijn in wat ik wil zeggen. Elk stuk heeft een duidelijke structuur — een kop, een lichaam en een staart. Voor mij is dat vanzelfsprekend, maar ik denk dat dat mee de kwaliteit bepaalt.”
Hoe heb je het verrassingsevent rond de vijfhonderdste column ervaren?
Filip Canfyn: “Dat was echt een verrassing, in alle betekenissen van het woord. Het was veel meer dan ik verwacht had. Er waren heel wat mensen aanwezig met wie ik een stuk van mijn leven heb gedeeld, en ook mensen die ik al lang niet meer had gezien. Dat zij daar waren en dat ook duidelijk deden vanuit appreciatie voor die twaalf jaar werk, dat deed wel iets.”
Tijdens het event gingen we in gesprek over verschillende terugkerende thema’s in je columns. Woon(on)betaalbaarheid is misschien wel het belangrijkste daarvan. Hoe kijk je daar vandaag naar?
Filip Canfyn: “Wat mij blijft opvallen — en dat zeg ik de laatste tijd vaak — is hoe beperkt de kennis is over woonbetaalbaarheid, zelfs bij mensen die er professioneel mee bezig zijn. Ik denk bijvoorbeeld aan de recente reeks in De Standaard over de betaalbaarheid van wonen voor jonge gezinnen. Dat is voor mij een soort culminatie van een probleem dat al veel langer bestaat. Wat mij stoort, is dat mensen vaak tevreden zijn met een oppervlakkig begrip van die problematiek, en daar dan verkeerde conclusies uit trekken. Zelfs bij architecten, ambtenaren en ontwikkelaars is de kennis over de reële verhouding tussen inkomens en woonkosten vaak beperkt. Het probleem evolueert snel. We mogen ons gelukkig prijzen dat we nog geen Nederlandse toestanden hebben, met zogenaamde “couch sleepers” — mensen die bij vrienden op de sofa moeten slapen omdat ze geen woning vinden. Maar het gaat wel die richting uit.”
“Daarbovenop komt nog het verouderde woningpatrimonium en de enorme renovatie-opgave in functie van energie en klimaat. En dan nog iets: architectuur wordt soms gebruikt als excuus om het niet over de echte problemen te hebben. Ontwerpen op zich lost geen problemen op. Je kunt wel oplossingen goed ontwerpen, maar dat is iets anders. Vandaag zitten we vaak ergens tussen ontwerpen en oplossen, zonder dat onderscheid scherp te houden.”
Waar moet volgens jou dringend werk van gemaakt worden in de architectuurwereld? Wat met het statuut van architecten?
Filip Canfyn: “We moeten oppassen voor twee dingen. Ten eerste moeten architecten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid opnemen, bijvoorbeeld op vlak van milieu — zoals dat vroeger gebeurde bij organisaties als Bond Beter Leefmilieu. Maar tegelijk moeten we opletten dat we ons vak niet zelf ondergraven. Ik spreek steeds vaker over “architectuurwerkers” in plaats van architecten: mensen die in grote kantoren onder hoge druk werken en slecht betaald worden. We verzetten ons tegen industrialisering, maar tegelijk zie je een soort vastgoedarchitectuur ontstaan die overal hetzelfde is. We moeten vermijden dat ons beroep een “dom métier” wordt dat je even goed door AI of goedkope arbeid kunt laten uitvoeren. Mijn grootste vrees is dat we onze relevantie verliezen als beroepsgroep. En dat de omstandigheden waarin we werken verder verslechteren — zoals in de bouwsector al gebeurd is met goedkope buitenlandse arbeidskrachten. Die evolutie mogen we niet laten gebeuren in de architectuur.”
Hoe kijk je naar het Vlaamse bouwmeesterschap vandaag?
Filip Canfyn: “Ik wens Véronique Claessens, de nieuwe Vlaamse bouwmeester, alle succes en relevantie toe. Ik denk dat ze een goede keuze is, net omdat ze niet puur uit het architectuurveld komt maar ook bestuurlijke ervaring heeft. Het team blijft performant. De echte vraag is: welke ruimte krijgt zij van de Vlaamse regering? Ik heb het altijd moeilijk gevonden dat een bouwmeester weinig tot niets te zeggen heeft over sociale huisvesting, terwijl dat net een van de belangrijkste investeringsdomeinen is. Na een aantal meer rustige periodes hoop ik dat zij een meer uitgesproken, “luidruchtige” bouwmeester wordt. Dat meen ik oprecht.”
Wat is er nodig voor meer kwalitatieve projectontwikkeling?
Filip Canfyn: “Ik weet niet of projectontwikkeling per definitie niet-kwalitatief is. Als businessmodel kan het perfect kwalitatief zijn. Wat mij stoort, is de “eenheidsworst” van wat ik vastgoedarchitectuur noem. Dat wordt te vaak als een voldongen feit aanvaard. Daarnaast is er de onderlinge concurrentie tussen ontwikkelaars, die de beste gronden tegen de hoogste prijs opkopen. Dat werkt contraproductief en veroorzaakt veel problemen. Die hoge grondprijzen bepalen uiteindelijk het hele project, waardoor andere kwaliteiten moeten sneuvelen. Projectontwikkeling is bovendien geen stadsontwikkeling. Het dient zelden het collectieve belang op lange termijn. Het is vaak gericht op snelle winst. Dat model botst vandaag op zijn limieten. Ontwikkelaars concurreren elkaar kapot en verliezen daarbij de aandacht voor hun bijdrage aan de samenleving.”
Wat moet er gebeuren om het ruimtebeslag een halt toe te roepen?
Filip Canfyn: “Dat is de vraag van één miljoen. De bouwshift is eigenlijk het enige instrument dat echt een ingreep kan betekenen, maar die wordt ondermijnd door het probleem van planschade. Lokale besturen zijn daardoor terughoudend om bouwstops door te voeren. We zien hetzelfde als bij klimaat en energie: problemen worden vooruitgeschoven naar 2040 of 2050. Maar als je dat blijft doen, wordt de berg uiteindelijk te groot om nog over te raken. Ik ben dus niet erg optimistisch. De combinatie van ruimtebeslag en bouwshift is de juiste richting, maar de uitvoering hapert.”