OPINIE. De echte winst van het M-peil zit in het ontwerp, niet in de berekening (Stijn Wille)
Dat de bouwsector meer rekening moet houden met de milieu-impact van materialen, lijkt mij een logische en zelfs noodzakelijke evolutie. We hebben de voorbije jaren sterk ingezet op energieverbruik tijdens gebruik, op isolatie, luchtdichtheid, technieken en E-peilen. Terecht ook. Maar tegelijk bleef één belangrijk deel van het verhaal vaak onderbelicht: de impact van wat we eigenlijk bouwen.
In die zin is het logisch dat het M-peil eraan komt. Niet alleen de gebruiksfase van een gebouw telt, maar ook de milieu-impact van grondstoffen, productie, transport, uitvoering, vervanging en einde levensduur. Wie vandaag over duurzaam bouwen spreekt, kan die laag niet langer negeren.
Maar tegelijk voel ik enige terughoudendheid bij de manier waarop dit debat soms gevoerd wordt. Alsof de invoering van het M-peil vooral een kwestie zou zijn van een nieuwe berekening, een bijkomende score of nog een extra verslaggever in het proces. En net daar wringt het volgens mij.
Als we materiaalimpact ernstig nemen, dan moeten we ook eerlijk zijn over waar de grootste winst effectief geboekt kan worden. En dat is niet op het einde van het traject, wanneer alles al getekend is en iemand nog eens narekent wat de milieu-impact van de gekozen materialen is. De echte winst zit veel vroeger. In het ontwerp zelf.
Materiaalimpact is in de eerste plaats een ontwerpvraagstuk
De keuzes die het zwaarst doorwegen op de materiaalimpact van een gebouw zijn zelden de keuzes die op het einde nog makkelijk gecorrigeerd kunnen worden. Ze worden vaak al vastgelegd in de conceptfase.
Dan gaat het over vragen zoals:
- hoe compact of net complex een volume wordt;
- hoeveel schiloppervlak een gebouw heeft;
- welk constructiesysteem logisch is;
- hoe zwaar of licht een opbouw wordt;
- hoeveel materiaal er in essentie nodig is;
- hoe robuust en aanpasbaar het gebouw is op langere termijn.
Dat zijn geen randbeslissingen. Dat zijn fundamentele ontwerpkeuzes.
Wie het M-peil pas op het einde van het proces serieus begint te nemen, loopt dus het risico dat het herleid wordt tot een soort achterafcorrectie. En dat lijkt mij precies de verkeerde reflex.
Een gebouw dat van bij de eerste schets als massief gebouw werd ontworpen, kan je niet zomaar op het einde “even” omzetten naar een houtskelet- of CLT-variant om een betere score te halen, zonder dat dat gevolgen heeft voor akoestiek, inertie, detaillering, comfort en algemene gebouwkwaliteit. Dan ben je niet meer aan het ontwerpen, maar aan het forceren.
De grootste winst zit niet in productsubstitutie alleen
Dat blijkt trouwens ook uit de studies die vandaag rond dit thema circuleren. Die tonen inderdaad aan dat er via materiaaloptimalisatie significante reducties in milieu-impact mogelijk zijn. Maar ze tonen minstens even sterk aan dat de grootste en meest zinvolle winst vaak zit in ontwerpoptimalisatie: compacter bouwen, logischer structureren, bewuster detailleren, en materiaal slimmer inzetten van bij het begin.
En dat is ook logisch. Een gebouw met minder onnodige complexiteit, minder verliesoppervlak en een rationelere opbouw zal bijna altijd beter scoren dan een overgedetailleerd gebouw dat men achteraf probeert te “vergroenen” via een aantal materiaalwissels.
Als we dus willen vermijden dat het M-peil uitdraait op een dure en frustrerende administratieve oefening, dan moeten we het niet naast het ontwerp zetten, maar erin verankeren.
Leg het niet bij nóg een extra deskundige
Net daarom lijkt het mij weinig zinvol om van het M-peil opnieuw een apart circuit te maken met een bijkomende verslaggever, attest of losstaande controle.
De bouwsector kreunt vandaag al onder een opeenstapeling van procedures, attesten en deelverantwoordelijkheden. Als we nu opnieuw reageren door er nóg een aparte deskundige naast te zetten, dan dreigt materiaalimpact al snel verengd te worden tot wat het net niet zou mogen zijn: een papieren oefening.
Persoonlijk zou ik die verantwoordelijkheid dus ook niet bij de EPB-verslaggever leggen, maar veel logischer bij de architect en het ontwerptraject zelf.
Als Vlaanderen dit werkbaar wil organiseren, dan lijkt een eenvoudige geïntegreerde materiaaltoets in het omgevingsloket mij zinvoller dan een nieuw attestencircuit. Denk aan een digitale beslisboom of een beperkte stapsgewijze toets, vergelijkbaar met de logica van de hemelwateraanstiplijst. Niet hypertechnisch, niet overdreven zwaar, maar wel voldoende om de juiste vragen op het juiste moment te stellen.
Zo verplicht je de ontwerper om tijdens het ontwerpproces al stil te staan bij materiaalgebruik, robuustheid, hergebruik, compactheid en opbouw. En tegelijk laat je ook een eerste basiscontrole toe in het kader van de vergunningsaanvraag.
Dat lijkt mij veel inhoudelijker én werkbaarder dan achteraf nog een extra specialist te laten bevestigen wat in essentie al lang beslist was.
Een goed M-peil is nog geen goed gebouw
Tegelijk moeten we ook opletten voor een andere valkuil: doen alsof een gebouw met een goed M-peil automatisch ook een goed gebouw is.
Dat is het natuurlijk niet.
Ook in een toekomst waarin materiaalimpact zwaarder zal doorwegen, blijven voor mij exact dezelfde ontwerpvragen overeind:
- hoe zit het met akoestiek?
- hoe voorkomen we oververhitting?
- hoe zorgen we voor thermisch comfort?
- is er voldoende daglicht?
- hoe robuust en onderhoudbaar is de opbouw?
- voelt een gebouw ook gewoon goed aan om in te wonen, werken of leren?
Dat is geen detail. Dat is de essentie van gebouwkwaliteit.
Als architect met een focus op gezonde gebouwen zie ik daar net de belangrijkste nuance. Een lage materiaalimpact is absoluut relevant, maar ze mag nooit de enige maatstaf worden. Een gebouw moet ook een positieve impact hebben op het welzijn en de gezondheid van zijn gebruikers.
En dat betekent soms ook dat je niet altijd kiest voor de “lichtste” of puur cijfermatig laagste-impactoplossing. Soms vraagt een gezond gebouw net extra aandacht voor massa, akoestische prestaties, thermische inertie, zonwering of een robuustere opbouw die langer meegaat. Ook dat zijn duurzame keuzes, alleen zijn ze minder makkelijk te vatten in één score.
Niet minder architectuur, maar betere architectuur
Sommigen vrezen dat een grotere focus op compactheid en materiaalimpact de architectuur zal reduceren tot een sobere doos met vier muren en een dak. Die reflex begrijp ik, maar ik denk dat ze te kort door de bocht is. De echte ontwerpuitdaging verdwijnt niet. Ze verschuift.
De vraag wordt niet: hoe maken we gebouwen zo spectaculair of zo complex mogelijk? Maar wel: hoe maken we gebouwen die met zo weinig mogelijk middelen zo goed mogelijk werken? En eerlijk: dat is misschien wel een veel interessantere architecturale vraag. Niet minder architectuur dus, maar betere architectuur. Slimmer, bewuster, robuuster en relevanter.
Besluit
Het M-peil kan een zinvolle stap vooruit zijn. Maar alleen als we vermijden dat het verengt tot een berekening achteraf of een nieuw administratief circuit.
Als we materiaalimpact écht ernstig nemen, dan moeten we ze behandelen zoals ze behandeld hoort te worden: als een volwaardige ontwerpparameter.
De echte winst van het M-peil zal dus niet zitten in Excel, maar aan de ontwerptafel.
Stijn Wille is ir. architect en lector vastgoed aan Odisee Hogeschool.