PANELGESPREK. Joep Verheijen (a2o): “De verantwoordelijkheid van de architect stopt niet bij het gebouw”
Architectuur wordt vandaag steeds vaker gelezen als een ruimtelijke praktijk die verder reikt dan het gebouw alleen. Open ruimte, landschap en waterstructuren maken integraal deel uit van het ontwerp en bepalen mee de kwaliteit en identiteit van een project. Die verbreding van het vak staat centraal tijdens het panelgesprek De architect als landschapsmaker op Futurebuild, waar architectuur en landschap nadrukkelijk samen worden gedacht.
Op 28 januari brengen Koen Van Delsen (murmuur architecten), Evert De Baere (Stramien cv) en Joep Verheijen (a2o architecten) hun visie op die evolutie. Het gesprek gaat over verantwoordelijkheden, samenwerking en ontwerpstrategieën, maar ook over budgetten, onderhoud en de vaak onderschatte betekenis van de ruimte tussen gebouwen. Vanuit zijn rol bij a2o en studio a2o-field benadrukt Joep Verheijen hoe essentieel die open ruimte vandaag is.
De ruimte die geen rest mag zijn
Volgens Verheijen kunnen ontwerpers het zich niet langer veroorloven om de onbebouwde ruimte als bijzaak te beschouwen. “Bij de meeste projecten is er meer onbebouwde ruimte dan bebouwde ruimte,” stelt hij. Die verhouding maakt duidelijk dat architectuur altijd over het geheel gaat en dat ontwerpkeuzes zich niet laten beperken tot het gebouw alleen.
Dat vertaalt zich volgens Verheijen in een andere invulling van het architectenberoep. “De architect dient de verantwoordelijkheid te nemen niet enkel voor de gebouwde ruimte maar voor het ruimtelijke geheel,” stelt hij. Een goed ontwerp beperkt zich niet tot het gevraagde programma van eisen, maar zoekt actief naar wat hij “betekenisvolle lagen in de ruimere omgeving van het project” noemt. Landschap, water, gebruik en ecologie vormen daarbij samen het vertrekpunt van het ontwerp.
Inpassen én iets toevoegen
Wanneer Verheijen spreekt over ruimtelijke kwaliteit, benadrukt hij dat een project zich niet alleen moet inpassen, maar ook iets moet teruggeven aan zijn omgeving. “Een geslaagd ontwerp schrijft zich in in zijn omgeving, én levert hier een meerwaarde voor op,” zegt hij. Die meerwaarde kan volgens hem vele vormen aannemen: biodiversiteit, ontmoetingsruimte, een robuust watersysteem of een grotere doorwaadbaarheid van het gebied.
Die houding vraagt dat ontwerpers verder kijken dan de grenzen van het perceel en ook de ruimere samenhang actief meenemen in hun ontwerpkeuzes. Architectuur krijgt volgens Verheijen pas betekenis wanneer ze relaties aangaat: tussen oud en nieuw, tussen gebouw en landschap, en tussen mens en omgeving. Net in die wisselwerking ontstaat ruimtelijke kwaliteit, die zich niet laat vastpinnen op één schaal of één discipline, maar zich ontvouwt over het hele projectgebied.
Groen vraagt kennis en timing
Verheijen waarschuwt ervoor om groen te reduceren tot een sluitstuk van het ontwerp. In complexe stedelijke projecten zijn vaak veel adviesverlenende instanties betrokken, maar “intrinsieke kennis over biodiversiteit en klimaatbestendigheid ontbreekt vaak,” merkt hij op. Daardoor wordt de keuze van planten en bomen soms behandeld als een banaal detail, terwijl die net bepalend kan zijn voor de kwaliteit en duurzaamheid van een project.
“Daarom is het belangrijk om tijdig het belang van de juiste groenkeuzes te communiceren in een project,” stelt Verheijen, zodat ze ook kunnen meewegen in de ontwerpfase. Die vroege keuzes vormen bovendien de basis voor hoe een project zich later zal verhouden tot klimaatadaptatie en ecologische veerkracht.
Ontwerpen in gedeelde verantwoordelijkheid
Voor a2o is de samenwerking tussen architect en landschapsarchitect een fundamentele ontwerpvoorwaarde. “Wij denken dat een landschapsarchitect vanaf het eerste concept van het project betrokken moet zijn,” zegt Verheijen. Het project wordt daarbij gezien als een volledig gedeelde verantwoordelijkheid tussen beide disciplines.
Binnen a2o is die interdisciplinariteit structureel georganiseerd via studio a2o-field, waar stedenbouw, landschap en architectuur elkaar voortdurend beïnvloeden. Dat kan ook met een extern bureau, erkent hij, maar bij middelgrote projecten blijkt het beschikbare budget vaak onvoldoende om die samenwerking in de vroege fase intensief te organiseren. Juist daarom is het volgens Verheijen belangrijk om die gedeelde verantwoordelijkheid expliciet te maken vanaf het begin van het ontwerpproces.
Van checklist naar ruimtelijk verhaal
Ook klimaatadaptatie dreigt volgens Verheijen te vaak te worden herleid tot een reeks technische ingrepen. Maatregelen zoals wadi’s, groendaken en infiltratievoorzieningen krijgen zo wel een plaats op de agenda, maar niet altijd in het ontwerpdenken. “Het is aan de ontwerper om dit niet enkel als een afvinklijst te benaderen, maar hier intelligenter mee om te gaan,” stelt hij.
Tegelijk merkt hij dat er langzaam meer interesse groeit voor een intrinsiek sterk verhaal rond klimaatadaptatie, waarin ruimtelijke keuzes primeren. De norm blijft voorlopig vaak technisch, maar de bereidheid om verder te kijken neemt toe, zowel bij ontwerpers als bij opdrachtgevers. Die evolutie sluit aan bij een bredere herwaardering van landschap en open ruimte binnen het ontwerpproces.
Budget, onderhoud en vertrouwen
Budget blijft daarbij een gevoelig punt. Groenaanleg is nog te vaak de sluitpost van een project en komt pas na oplevering echt in beeld. Verheijen ziet nochtans dat opdrachtgevers en bewoners steeds meer openstaan voor extensiever beheer en minder strak onderhouden groen, op voorwaarde dat daar duidelijk over wordt gecommuniceerd.
Door vroegtijdig met de bouwheer in gesprek te gaan over budget, onderhoud en langetermijnambities, kunnen volgens Verheijen veel problemen worden vermeden. Zo kan ruimtelijke kwaliteit niet alleen worden ontworpen, maar ook duurzaam worden verankerd in de verdere levensloop van een project.
Van visie naar praktijk
Die ontwerpvisie wordt concreet in een aantal projecten van a2o architecten. Een daarvan is de Orleanstoren in Aarschot, een gelaagd erfgoedproject waarin architectuur, landschap en participatie nauw met elkaar verweven zijn. De restauratie en ontsluiting van de middeleeuwse toren gingen gepaard met gerichte landschappelijke ingrepen die de historische relatie tussen stad en landschap opnieuw leesbaar maken, zonder de bestaande ecologische kwaliteiten te verstoren.
Daarnaast verwijst Verheijen naar projecten zoals het Fruitspoor in Borgloon, waar landschappelijke infrastructuur wordt ingezet als verbindend element op meerdere niveaus. Het project functioneert tegelijk als ecologische corridor, publieke ruimte en drager van lokale identiteit, en toont hoe ruimtelijke ingrepen ook buiten de klassieke architectuuropdracht betekenisvol kunnen zijn.
Het panelgesprek ‘De architect als landschapsmaker’ vindt plaats op 28 januari van 13uur tot 14u15 uur in de Inspire Hub op Futurebuild (Brussels Expo). Kom luisteren en denk mee na over hoe architectuur en landschap samen de ruimte van morgen vormgeven.