Doorzoek volledige site
21 maart 2016

Renovatie van ruimteverwarmingssystemen

De aanwezigheid en de staat van de isolatie moeten nagegaan worden. Illustratie | WTCB / CSTC

Teneinde de strenge energetische doelstellingen op middellange termijn te kunnen verwezenlijken, is het noodzakelijk om de oude ketels te vervangen door moderne warmtegeneratoren. Hiermee kunnen immers belangrijke besparingen gerealiseerd worden. In dit artikel bespreekt het WTCB de verschillende aandachtspunten die hiermee gepaard gaan.

Regelgeving en diagnose

Alvorens met de renovatie van een verwarmingssysteem aan te vangen, moet men de geldende regelgeving ter zake kennen. Deze kan immers verschillen naargelang van het gewest en van de eventuele aanwezigheid van een stedenbouwkundige vergunning. Voor meer informatie hieromtrent verwijzen we naar de Normen-Antenne ‘Energie en binnenklimaat’ (www.normen.be).

Zelfs als de aannemer/installateur enkel gevraagd wordt om de verwarmingsinstallatie onder handen te nemen, is het belangrijk om rekening te houden met de globaliteit van de werken en de specifieke wensen of comfortbehoeften (voor verwarming en eventueel sanitair warm water) van de opdrachtgever. Er zijn immers diverse ingrepen die een aanzienlijke invloed kunnen hebben op de verwarmingsinstallatie, zoals de verbetering van de isolatie of de luchtdichtheid van de gebouwschil, de verplaatsing van de stookruimte en uitbreidingen of afbraak.

Tot slot is het van primordiaal belang om de huidige staat van de installatie grondig te analyseren om eventuele problemen op te sporen en na te gaan welke delen ervan behouden kunnen worden.

 

Evaluatie van de verwarmingsbehoefte

Voorafgaand aan de analyse van de bestaande verwarmingsinstallatie dient men het nodige verwarmingsvermogen te bepalen en dit, zowel op gebouwniveau (voor de keuze van een centrale warmtegenerator zoals een warmtepomp of een ketel, zieafbeelding 1) als op ruimteniveau (voor de keuze van de warmteafgiftetoestellen: radiatoren, convectoren, vloerverwarming, zie afbeelding 2, of plaatselijke toestellen zoals gasconvectoren en hout(pellet)kachels, zie afbeelding 3). Een gebouw dat energetisch gerenoveerd wordt, kan immers grondige wijzigingen ondergaan ten opzichte van de oorspronkelijke situatie waarvoor de bestaande verwarmingsinstallatie ontworpen werd. Indien ook de gebouwschil gerenoveerd wordt, zou dit bij voorkeur eerst moeten gebeuren, zodat men hiermee rekening kan houden bij de keuze van de verwarmingsinstallatie (bv. een veel lager vereist verwarmingsvermogen).

Een nauwkeurige warmteverliesberekening dient conform de norm NBN EN 12831 en haar nationale bijlage uitgevoerd te worden. Op de WTCB-website (zie rubriek ‘Rekentools’) worden hiervoor een rekentool en een catalogus van de indicatieve U-waarden ter beschikking gesteld. 

 

Vermogen van de warmtegenerator

Om te bepalen of de huidige warmtegenerator behouden kan worden, dient men zijn vermogen te evalueren. Indien dit vermogen ontoereikend is, de huidige ketel versleten is of niet meer beantwoordt aan de ‘stand der techniek’ (ketels van meer dan 20 jaar oud), dringt een directe vervanging zich op. Overdimensionering van de ketel is uit den boze. Dit brengt immers niet alleen een hogere investeringskost met zich mee, maar heeft ook ondermaatse prestaties tot gevolg (te krachtige warmtegeneratoren komen in hun laagste werkingsgebied terecht). Men mag evenmin rekenen op het modulatiebereik om de overdimensionering te compenseren. Hiervan mag immers enkel gebruikgemaakt worden voor de dagdagelijkse regeling in functie van de behoeften en de buitentemperatuur. Verder kan de werking van de warmtegenerator onder slechte omstandigheden leiden tot een voortijdige vervuiling en slijtage (herhaaldelijke aan- en uitschakeling), tot frequentere onderhoudsbeurten en tot een sterkere luchtvervuiling.

De situatie waarin de ruimteverwarming en de productie van sanitair warm water (SWW) door eenzelfde toestel gerealiseerd worden, vergt bijzondere aandacht (zie"Energetische renovatie van de sanitair-warmwaterinstallatie"). In geval van een niet-ogenblikkelijke warmwaterproductie (bv. een warmwaterbuffervat dat met een ketel of een warmtepomp op temperatuur gebracht wordt) is het extra vermogen voor de SWW-productie beperkt. Ter bepaling van het volume van dit vat moet er rekening gehouden worden met het werkelijk geïnstalleerde vermogen. In geval van een ogenblikkelijke warmwaterproductie zal het vereiste SWW-vermogen echter meestal bepalend zijn (minstens 25-30 kW), waardoor de ketel minder optimaal is voor verwarming.

 

Lees dit artikel verder op de website van het WTCB. 

GERELATEERDE DOSSIERS