Doorzoek volledige site
06 oktober 2010 | NJ

Beel ontwerpt uitbreiding deSingel als uitvergroot tuinhuis

Stéphane Beel is kind aan huis bij deSingel. Twintig jaar geleden vroeg men hem om deuren te plaatsen in deSingel als afscheiding naar het conservatorium. Deze deuren staan er nog steeds en hebben de naam ‘de patattendeuren’ meegekregen. Zijn houding ten opzichte van zo een eenvoudig element zorgde ervoor dat hij mocht instaan voor de latere uitbreiding van deSingel. Deze resulteerde in een tuinhuis look-a-like en werd onlangs geopend. Maar waarom koos hij voor hout als gevelbekleding?
Stéphane Beel is kind aan huis bij deSingel. Twintig jaar geleden vroeg men hem om deuren te plaatsen in deSingel als afscheiding naar het conservatorium. Deze deuren staan er nog steeds en hebben de naam ‘de patattendeuren’ meegekregen. Zijn houding ten opzichte van zo een eenvoudig element zorgde ervoor dat hij mocht instaan voor de latere uitbreiding van deSingel. Deze resulteerde in een tuinhuis look-a-like en werd onlangs geopend. Maar waarom koos hij voor hout als gevelbekleding?



Foto: Xavi Catala



deSingel en Stéphane Beel

DeSingel kende doorheen de tijd al verschillende gebruikers. Dit parcours van de verschillende bewoners vraagt wel eens een aanpassing en uitbreiding van het gebouw. Om de rol van kunstcampus ten volle te vervullen, moet de infrastructuur ontwikkeld en uitgebouwd worden, zowel voor het maken als voor het leren en tonen. DeSingel lijkt in deze verbouwingsprojecten een ideale partner gevonden te hebben in architect Stéphane Beel.

De band tussen deSingel en Stéphane Beel ontstond naar aanleiding van een tentoonstelling van Beels werk in 1989 in deSingel. DeSingel, nieuwsgierig naar meer, gaf hierop aan architect Stéphane Beel de opdracht nieuwe deuren te ontwerpen als afsluiting van een inkom tot de wandelgangen (tentoonstellingsruimte) en de zalen: in de volksmond de ''patattendeuren’. Beel herhaalt de vorm van de ovalen ramen in de buitenwanden van het gebouw in de nieuwe deuren: de openingen worden volle panelen op de glazen deuren. Wanneer deSingel in 1990 een tentoonstelling van het werk van Léon Stynen, de architect van deSingel, organiseert, realiseert Beel als tentoonstellingsmaker een boeiend parcours door het gebouw. Hij toont bij beide projecten aan dat hij architect Léon Stynen in het algemeen en het gebouw deSingel in het bijzonder zeer goed aanvoelt. De vertrouwensrelatie tussen de gebruikers van het gebouw en Stéphane Beel groeit. Hij wordt aangezocht voor zowel het kleine als het grote werk. Zo tekent hij programmabalies voor deSingel (1990) en verbouwt hij de vergaderzaal (1993) en een klas (1998) voor het Conservatorium. Het masterplan voor de reorganisatie en uitbreiding van deSingel en het Conservatorium (1995) resulteert in eerste instantie in het creëren van een circulatie-as en bijkomende loges, en in het vergroten van het podium van de Rode Zaal en van de artiestenfoyer (1999-2000). In juni 2002 geeft minister van Cultuur Bert Anciaux aan Stéphane Beel de opdracht de tweede fase van het project te realiseren. In oktober 2002 sluit de Hogeschool Antwerpen zich aan. Op 1 mei 2003 zette Beel zich aan het definitieve ontwerp. Deze nieuwbouw veruiterlijkt het grote inhoudelijke toekomstproject van deSingel en het Conservatorium, de realisatie van een unieke en internationale kunstcampus. Een plaats waar kunst niet alleen wordt getoond, maar ook wordt (aan)geleerd en gemaakt

Donderdag 25 oktober 2007 werd de eerstesteenlegging van het nieuwbouwproject ‘kunstcampus deSingel’ gevierd. Eind 2009 rondde de algemene aannemer zijn activiteiten aan het nieuwbouwproject af en werd met de afwerking begonnen. In maart-april kon de eerste ingebruikname gebeuren, de inhuldiging vond pas begin oktober 2010 plaats. In tussentijd werd het gebouw wel actief gebruikt zowel voor het conservatorium als voor deSingel zelf.

 


    

Foto''s: Xavi Catala



Nieuwbouw als aanzet tot kunstcampus



De nieuwbouw situeert zich tussen de snelweg, de Jan Van Rijswijcklaan, één zijde van de achtvormige laagbouw en het hellend vlak van de wandelgang naast Blauwe zaal. De nieuwe laagbouw, een gesloten plint, herbergt functies voor een betere werking van deSingel en de kantoren van het Vlaams Architectuurinstituut. De hoogbouw, een horizontale schijf, verheft zich boven zowel de nieuwe als de bestaande laagbouw en is structureel onafhankelijk. Deze horizontale schijf profileert zich als een baken aan de ring en gaat de dans aan met de drie torens van Stynen in de omgeving: het BP-gebouw (nu AXA), het Crest-hotel (nu Crowne Plaza) en de verticale schijf boven de zalen van de Singel. In dit volume bevinden zich de ruimtes voor het Conservatorium van de Hogeschool Antwerpen. Alle podiumkunstenopleidingen van de Hogeschool - dans, drama en muziek - worden zo op één plek verenigd, wat hun interactie sterk zal bevorderen. Tussen de plint en de horizontale schijf bevindt zich een transparante doos met publieke functies. Die sluit aan bij de bestaande wandelgangen van de Blauwe en Rode Zaal. In deze glazen tussenschijf bevinden zich onder meer een multimediale leeszaal en een café-restaurant.

De architecturale uitstraling van deSingelsite - het werk van twee gerenommeerde Vlaamse architecten, Léon Stynen en Stéphane Beel - maakt het tot een attractiepool op zich. Beel verwerkte een reeks prikkelende procédés in zijn ontwerp. Ruime circulaties voeren het publiek langs de buitenzijden van het gebouw. Grote raampartijen bieden een uitzicht op het stedelijke landschap en op het ringverkeer, waardoor het contact met de buitenwereld behouden blijft. Tegelijkertijd wordt de bezoeker middels doorkijken, in elkaar overlopende ruimtes en onverwachte dieptezichten blootgesteld aan de interne werking van het ontwerp. Er wordt ingezet op verwondering, nieuwsgierigheid, avontuurlijkheid, goesting.

Het produceren en coproduceren zal in de nieuwbouw heel wat vlotter kunnen verlopen in specifiek daartoe ontworpen ruimtes. Bovendien zal het publiek er kennis kunnen maken met work-in-progress of met de uiteindelijke productie, wanneer de productieruimte daarvoor het meest geschikt is. Toeleiding en educatie worden belangrijke sleutelwoorden op de nieuwe kunstcampus, met veel aandacht voor al dan niet publieke workshops en masterclasses, omkaderende informatie bij de artistieke activiteiten, publieke repetities, lezingen, colloquia, toegang tot informatie over kunst zowel voor de onderzoeker als de geïnteresseerde leek.

Het totale budget voor de realisatie van de nieuwbouw bedraagt € 25 miljoen (basis: 2004). 65 procent van dit bedrag wordt voorzien door de Vlaamse Gemeenschap, 35 procent door de Hogeschool Antwerpen. De nieuwbouw betekent een campusuitbreiding met 12.000 m2, waarvan 7.800 m² voor deSingel bestemd is en 4.200 m² voor het Conservatorium.

 



Foto: Stijn Bollaert



Tuinhuis langs de ring



Op de vraag waarom Stéphane Beel voor het project gekozen heeft voor een houten gevelbekleding zou ‘omdat het een ecologisch materiaal is’  een eenvoudig en modieus antwoord zijn, passend in de huidige tijdsgeest. Het is immers een herbruikbaar materiaal. Deze zaken spelen allemaal een rol maar zijn niet de enigen. Stéphane Beel maakte tijdens de materiaalkeuze de bedenking “Wat is nu de essentie van dit gebouw, wat doet dit gebouw uiteindelijk? Is het een ander gebouw dan de gebouwen die langs de ringweg van Antwerpen staan? Is het een ander gebouw dan de gebouwen die langs een autosnelweg staan?” DeSingel heeft duidelijk een andere functie, het is geen kantoorgebouw, het is geen appartementsgebouw, het is geen hotel. Het is een productiehuis voor de kunsten, zowel voor kunst in opleiding als het tonen van kunst zelf. De ontwerper koos er vervolgens voor het recalcitrante van deze functie te veruitwendigen in de bekleding. Door de toepassing van een ongebruikelijk materiaal voor zo’n groot gebouw lijkt het gebouw op een uitvergroot tuinhuis langs de ring. Deze visie werd gekoppeld aan het groene aspect van het materiaal, maar ook naar kostprijs toe bleek dit materiaal interessant. Bovendien is het materiaal op een eenvoudige manier aan te brengen, beschikt het over een lange levensduur en vergt het weinig onderhoud. Het geeft ook een ander karakter aan het gebouw waardoor het zich onderscheidt van de andere gebouwen in de omgeving. Omdat het gebouw in één materiaalsoort is uitgevoerd lijkt het iets weg te hebben van een sculptuur.

Het gebouw zal in de loop der jaren enigszins een lichte verandering ondergaan, het zal een bepaalde verandering meekrijgen omdat het dennenhout, Noorse den, vrij snel verkleurt. Deze evolutie van het hout kan niet onzichtbaar blijven. De houten bekleding zal meer of minder gaan aansluiten, afhankelijk van iemands zienswijze,  met de bestaande gebouwen.

 
 
YouTubefilmpje: Stéphane Beel licht zijn keuze voor hout als gevelbekleding toe
 
 

    
    

Foto's: SBA Johnny Umans



Onafhankelijk maar toch verbonden
 

Niet alleen door het materiaalgebruik staat de uitbreiding in contrast met het bestaande volume, maar ook de vormgeving van de uitbreiding zelf is geen directe vertaling of voortzetting van het bestaande gebouw. Tegelijkertijd heeft de uitbreiding ook heel wat gemeen met het bestaande. Zo worden bepaalde belangrijke lijnen verder getrokken: de lijn van de torens wordt verder uitgezet in de achterkant van de uitbouw van de horizontale schijf. De volumewerking refereert op de een of andere manier naar het bestaande gebouw. De volumes van de twee zalen doen je in de cinema aanwezig zijn van de rode en blauwe zaal. De volumewerking zit ook in de rode en de blauwe studio en ook in de horizontale toren zelf. Beel noemt het nog altijd de horizontale toren omdat het een ruimtelijke impact heeft die even groot is als een toren. Het is in feite een antwoord op de andere gebouwen in de omgeving en gaat er een relatie mee aan.

In dit project merken we goed de twee voorwaarden waaraan een project volgens Beel aan moet voldoen: de combinatie van onafhankelijkheid en verbondenheid. De uitbreiding hoeft niet letterlijk aan te sluiten bij het gebouw maar is er tezelfdertijd wel stevig mee verbonden. De uitbreiding van deSingel is duidelijk aanwezig omdat Beel van mening is dat je het oorspronkelijk gebouw geen eer aan doet door onderdanig te zijn. Het oorspronkelijke volume heeft met de uitbreiding een soort gesprekspartner, het dialogeert ermee.

 

    

Foto's: Stijn Bollaert



Technische fiche
 
Studiebureaus
Architecten: Stéphane Beel
Projectmanagement: Bopro nv
Theatertechniek: T.Tas
Technieken: Ingenium
Veilgheid ontwerp: Bureau Bouwtechniek
Veiligheid uitvoering: Abesco
Akoestiek: Daidalos
Stabiliteit: Ney & Partners Engeneering
Grondonderzoek: ERM
Uitvoerders
TV. Van Laere nv / CEI De Meyer nv
Axima Contracting nv (Suez)
EDF nv
Liften Coopman nv
Roden Staal België nv