Doorzoek volledige site
17 augustus 2016 | FILIP CANFYN

Steen&Been (column Filip Canfyn): Go, Leo, Go!

Illustratie | Tim Dirven
Illustratie | Tim Dirven

Met deze eerste column na de zomervakantie wil huiscolumnist Filip Canfyn als één man achter de nieuwe Vlaamse Bouwmeester gaan staan. "Al wat hij tot nu toe vanuit zijn verse functie in het openbaar geventileerd heeft klopt en klinkt moedig maar al wat over hem zijdelings gespuid wordt voorspelt niet veel goeds: verkavelingsvlaaanderen wet het mes om Leo’s lef te vierendelen."

Ik neem er even de in deze onverdachte hoofdstadkrant Bruzz van 14 juli 2016 bij. Die laat Leo Van Broeck, een Brusselaar nota bene, zeggen dat hij de dorpen wil redden, dat hij de dorpskernen wil verdichten, dat hij van de dorpen opnieuw de mini-stadjes wil maken, die ze altijd al waren. En hij besluit raak met de uitsmijter: “Stel u voor dat de Italianen rond de Toscaanse dorpen verkavelingen zouden aanleggen …”. Spek voor mijn bek, maar niet voor de Landelijke Gilden, die zich opeens outen als de verbolgen beschermheren van het platteland, dat door de Bouwmeester zou vermoord worden. Begrijpe wie begrijpen kan. Ik alleszins niet. Darom publiceer ik hieronder mijn lezing, die ik op 28 april 2015 hield voor de Plattelandsacademie, op expliciete uitnodiging van en onder luid applaus van krék dezelfde Landelijke Gilden. “Herdorping als noodzaak”. Ik denk dat mijn tekst perfect vertaalt wat Leo Van Broeck nu ook wil zeggen en dat verkavelingsvlaanderen hier halsstarrig tegen strijdt zonder te luisteren naar argumenten. Verkavelingsvlaanderen kan trouwens alleen maar blijven bestaan door niét na te denken.

Go, Leo, go!

 

HERDORPEN ALS NOODZAAK

 

Vlaanderen kan woonmatig eigenlijk in zes zones opgesplitst worden.

 

  1. We hebben anderhalve grootstad, Antwerpen met 500.000 inwoners en Gent met 250.000 inwoners. Dat anderhalf vinden we meer dan genoeg, hoewel we ook blij zijn dat beide steden braaf dienst doen als stockageplaats voor kwetsbaarheid en diversiteit, voor dingen, die we graag catalogeren als grootstadproblemen.
  2. We hebben elf centrumsteden, tussen ocharme 40.000 en ocharme 130.000 zielen groot. Die elf vinden we goed, voor zover die elf maar niet uitgroeien tot nog meer grootsteden.
  3. We hebben tientallen kleinsteden met 25.000 tot uitzonderlijk 45.000 ingezetenen. Zij zijn de slimsten van de klas. Ze hebben zich in stilte opgewerkt tot de heersers van suburbanisatieland maar willen stiekem ook centrumstad worden.
  4. We hebben honderden dorpen en evenveel dilemma’s: ofwel dorp blijven maar een al dan niet langzame dood sterven, ofwel kleinstad worden en zich scheef laten verkavelen ten behoeve van forensen. Dorpen groeien immers buiten de dorpskern, rond dorpen en tussen dorpen, niet in dorpen.
  5. We hebben nog wat land, dat in het beste geval niét aangeraakt wordt en zichzelf mag blijven. In het slechtste geval wordt het land gedegradeerd tot woonuitbreidingsgebied en geannexeerd door een kleinstad, die centrumstad wil worden, of door een dorp, dat kleinstad wil worden.
  6. We hebben bovenal rand, noch stad noch dorp noch land maar rand. Rand is de breed uitgesmeerde, besmettelijke resultante van de mantra’s ‘wij mogen overal bouwen’, ‘wij mogen wonen waar we willen’, ‘wij mogen werken waar we willen’ en ‘wij moeten hierbij fiscaal gesubsidieerd worden met onder meer een bedrijfswagen’. Ik noem dit fenomeen van die rand met haar medeplichtige kleinsteden en dorpen ‘verkavelingsvlaanderen’.

 

Rand en verkavelingsvlaanderen zijn de ruimtelijke, sociologische, economische, politieke, culturele, historische en structurele vertaling van een attitude, die gedeeld wordt door een meerderheid van onze bestuurders en burgers. Rand en verkavelingsvlaanderen gaan over suburbanisatie, ontstedelijking, rurbanisatie en ontdorping, over verrommeling, wanorde, verspilling en chaos. Rand en verkavelingsvlaanderen teren op de versmelting van kleinstad, dorp en land en knijpen zo de keel van de stad dicht, die een vuilbak moet worden, maar ook van het dorp of het land, die hun duurzaamheid moeten verdedigen. Rand en verkavelingsvlaanderen betekenen een meedogenloos gevaar voor de gezondheid van ruimtegebruik, energieverbruik en mobiliteit, en de destructiviteit van dat gevaar moet urgent gekeerd worden. Rand en verkavelingsvlaanderen splitsen Vlaanderen in twee, niet alleen ruimtelijk maar ook sociaal, door een lijn te trekken van ongelijkheid tussen rand en niet-rand, tussen verkavelingsvlaanderen en de rest, tussen rand en stad-dorp-land.

Het is binnen die context een beetje ridicuul overal te moeten lezen dat Vlaanderen verstedelijkt is en zich op die manier inschrijft in de globale verstedelijking van onze aardbol. Primo, Vlaanderen kan hoogstens verkleinstedelijkt genoemd worden. Secundo, Vlaanderen wordt alleszins verstedelijkt in de verkeerde richting. Verstedelijking wordt hier vereenzelvigd met bijna overal mogen bouwen en wonen en dus niet met concentratie en densiteit. Juiste verstedelijking zou nochtans voor méér stad binnen de stad, voor méér stedelijkheid moeten zorgen en dus niét voor meer stad bùiten de stad. Tertio, Vlaanderen gedraagt zich hypocriet verstedelijkt. Hier heerst een traditie, die stad en stedelijkheid gelijkschakelt met armoede en verval, die van de stad een nachtmerrie maakt voor wie weldenkend een woning zoekt. Het status quo in verkavelingsvlaanderen spint er garen bij.

Kortom, Vlaanderen kent geen stedelijkheid, slechts een restje dorpelijkheid of landelijkheid maar vooral veel randelijkheid. Het dorp kan daar niet beter van worden.

Frans Thissen (UAmsterdam) stelt vast dat wat vroeger functioneerde als ‘autonoom dorp’ nu evolueert naar wat hij ‘woondorp’ noemt. Waar vroeger het dorp als een wereld op eigen benen fungeerde, waar je geboren werd, opgroeide, school liep, winkelde, werkte en je sociaal web opbouwde, wordt het dorp nu je adres. Waar vroeger dorpsgebondenheid een duidelijk referentiekader bood, wordt het dorp nu beperkt tot een losvaste locatie voor de brievenbus, in de buurt van het regionale voorzieningenaanbod. Hij ziet dat, paradoxaal genoeg, het aantal functies in de dorpskern daalt wanneer het aantal inwoners stijgt binnen de dorpsgrenzen.

De intocht van niet-participerende adreszoekers in dorp en land breekt niet alleen dorp en land als autonome weefsels maar heeft ook een gevaarlijk zelfdestructief karakter. Inderdaad, de groeiende consumentenbehoefte aan groen, rust en landelijkheid, die de ambitie van het suburbaan woongedrag onderbouwt, en de groeiende consumentenbehoefte aan goedkopere bouwgronden, die het rendement van het suburbaan woongedrag uitmaakt, leiden tot die slaapwijken tussen en rond dorpen, die zowel groen, rust en landelijkheid als goedkopere bouwgronden schaars maken en dus de opzet zelf van de rurbanisatie pijnlijk ondermijnen. Rurbanisatie als ruimtelijke bezetting van dorp en land voor en door wonen verstoort grondig de leefbaarheid en het karakter van dorp en land en heeft geen binding met noch respect voor het oorspronkelijke weefsel, dat monofunctioneel vermarkt wordt als grond en vastgoed. Rurbanisatie noemt haarzelf graag landelijk en speelt graag met de term landelijk om te verbergen dat al haar eigenschappen zonder meer randelijk zijn, ondanks het motto “wat een geluk dat we nog de buiten hebben”.

Deze evolutie is niét goed voor Vlaanderen. Dorpen moeten zich ontwikkelen en niet alleen maar groeien rond en tussen de feitelijke dorpen. Dorpen moeten geen brievenbussen worden. Dorpen moeten autonome woondorpen worden, autonoom én woondorp samen, waar de woonfunctie door een verdichtingsproces uitgebouwd wordt simultaan met een lokaal voorzieningenapparaat, dat weer een bestaansreden en een inkomen krijgt én dat het dorp weer een identiteit geeft. Dorpen moeten inderdaad weer geven én krijgen.

Er moet alleszins afgesproken worden dat we vanaf nu ‘dorp’ strikt zullen definiëren en dat we vanaf nu de definitie van ‘dorp’ strikt zullen hanteren. We moeten terzelfdertijd het juiste antwoord formuleren op deze belangrijke vraag: moeten de voorzieningen het woongedrag volgen of moet het woongedrag de voorzieningen volgen? Vier voorbeelden.

Een. Zullen we overal riolering blijven leggen en leidingen blijven trekken waar verkavelaars en suburbane geesten woningen willen bouwen of zullen we goed uitgeruste dorpen aanbieden en ondertussen de infrastructuur betaalbaar houden voor die dorpen?

Twee. Zullen we basismobiliteit blijven zien als openbaar vervoer, dat overal waar we wonen, dus vooral in de rand, moet beschikbaar zijn of zullen we basismobiliteit toch eens bekijken als openbaar vervoer, dat de dorpskernen frequent bedient en aangevuld wordt met maatwerk voor het land? Moet openbaar vervoer randelijk wonen mogelijk maken en ondersteunen?

Drie. Zullen we na de belbus ook nog eens de belzorg uitvinden, die de randbewoners op hun wenken ambulant bedient of zullen we de dorpen heruitvinden als centrale dragers van een zorgfunctie? Zullen we basiszorg onefficiënt spreiden en doen alsof we zorgen voor dorp en land of zullen we met voorzieningen de dorpelijkheid bevorderen in plaats van de randelijkheid te gehoorzamen?

Vier. Zullen we de onderwijsfunctie van de dorpen bevestigen of zullen we lijdzaam toezien hoe de populatie in de scholen van dorp en land daalt en de populatie in de scholen van de rand blijft stijgen? De gemiddelde woon-school-verplaatsing gaat omhoog, het aandeel van de verplaatsingen van minder dan 15 minuten omlaag. Bij kinderen van basisscholen stapt nog slechts één op zeven te voet naar school en dat aandeel daalt, reeds één op twee wordt met de auto gebracht en dat aandeel stijgt. We zenden onze kinderen niet meer naar school waar we wonen, neen, we dumpen ze in een school op de weg tussen wonen en werken. Het pendelgedrag bepaalt het schoolgedrag van de kinderen en zo wordt de weefselverbinding tussen woon- en schoollocatie pijnlijk verbroken. Na café, bakker, slager en apotheker kan nu ook de school nog uit de dorpstextuur verdwijnen.

Het is geen gratuite nostalgie is maar pure noodzaak om het dorp weer tot zijn essentie te herleiden en om de juiste redenen te versterken: het dorp moet opnieuw dorp kunnen worden, het dorp moet zo zichzelf als dam kunnen opwerpen tegen de zogenaamde verstedelijking van het land, tegen de onverbiddelijke verranding en tegen de valse verdorping met woonuitbreidingen en aanleunappartementen. In het dorp moet weer plaats gemaakt worden voor onderwijs, zorg, mobiliteit, voorzieningen en wonen, zodat in Vlaanderen weer plaats gemaakt wordt voor het dorp en geen plaats meer geconfisqueerd wordt door de rand.

Eigenlijk moet een dorp opnieuw bekeken worden als een gecondenseerde stedelijke kern, kleiner qua schaal uiteraard maar even compact qua functie. Er moet een punt gezet worden achter die misvatting dat alle dorpen een verzameling verkavelingslobben moeten worden, die knipogen naar de rand maar het dorp zelf geen blik waard achten. Er moet komaf gemaakt worden met de verwarring tussen dorp en rand.

We moeten ons wel niet veel illusies maken: in Vlaanderen iets wijzigen aan een heersende ruimtelijke woonstructuur, laat staan dorpen positief discrimineren op dat vlak, zal geen sinecure worden. Bestuurlijk Vlaanderen heeft constant schrik van en dus geen ambitie voor een stedenbouwkundige botsing met de burger. Spijtig genoeg kan besturen op die manier nog moeilijk sturen, tenzij richting verkavelingsvlaanderen.

Zoals ik in mijn boek “Het syndroom van verkavelingsvlaanderen” pleit voor verstedelijking, voor het verdichten in functie van het intelligent en efficiënt omgaan met ruimte, energie en mobiliteit, pleit ik om dezelfde evidente redenen ook voor verdorping, beter gezegd hérdorping, dus voor dorpskernverdichting, die gepaard gaat met een batig herstel van de dorpsvoorzieningen, de dorpsidentiteit en het primordiale woonkarakter van het dorp zelf.

Duidelijke steden moeten, duidelijke dorpen moeten ook en duidelijke steden zijn de bondgenoten van duidelijke dorpen. De grensvervaging van de suburbanisatie, van de verranding, van de verkleinstedelijking, van verkavelingsvlaanderen moet door duidelijke dorpen en duidelijke steden op zijn plaats gezet worden.

Daarom moeten we af van die onjuiste kleinschaligheidsreflex, die niet wil dat een stad echt een stad wordt, zolang de kleinstad maar mag floreren. Dit impliciet verzet tegen een stedelijke concentratie staat voor een impliciete promotie van een diffuse spreiding van het woningaanbod, evenwel zonder respect voor dorp of land. De zogenaamde overal-en-nergens-verstedelijking is geen verstedelijking maar een nefaste sluipmoordenaar van ruimte, energie en mobiliteit en van stad-dorp-land.

Daarom moeten we ook af van die onjuiste expansie-ambitie, die de verranding de hoofdrol laat spelen. We moeten oppassen voor het pleidooi voor fusies van gemeenten in functie van sterkere entiteiten, die een groeiende complexiteit voor een groeiende populatie kunnen opnemen. Dit lijkt sterk op een formaliseren en legitimeren van de suburbanisatie zonder netto-toevoeging van enige stedelijkheid of dorpelijkheid. Kleinsteden uitbreiden met verkavelingslobben en misprezen dorpen is het kind een andere naam geven maar wijzigt niets ten voordele van ruimte, energie en mobiliteit.

Het dorp moet weer dorp worden, moet weer verdorpt worden.

Het dorp moet meer dorpelijk worden, minder landelijk en zeker niet randelijk.

Het dorp moet zich distantiëren van de rand en een alliantie met de stad aangaan.

Het dorp moet uit de louter vrijblijvende dorpssfeer gehaald worden. Het dorp moet weer gaan voor zichzelf en het dorp moet weer gaan over zichzelf. Voor en over identiteit, voor en over kracht. Het dorp moet niet langer het laffe compromis zijn om de rand goed te praten en om het land in loten te verdelen.

Dat is de essentie van hérdorping.

Wonen is de prioriteit en de premisse van die hérdorping.

Voorzieningen zijn de randvoorwaarde, groen de troef, werk de bonus maar wonen is de conditio sine qua non.

Wonen wordt binnen de hérdorping stedelijk wonen, dat veel meer is dan wonen in de stad. Stedelijk wonen gaat over compact, haalbaar en respectvol wonen in stad én dorp, stedelijk wonen gaat over het aanpakken van de binnenkort onomkeerbare bedreiging van ruimte, energie, mobiliteit en vooral van onze samenleving.

Wie met zijn woonwens nog verder de boer op wil moet zich in de juiste context plaatsen, moet zich in de context van het dorp plaatsen. De woonwens mag vanaf nu niet meer opgevoerd worden als verschoning voor de gevolgen voor de ruimtelijke woonstructuur. Vanaf nu moet respect voor de context, dus respect voor het dorp bepalend worden.

Vandaag gaat wonen te veel over winnen maar het dorp moet het win-winnen herstellen als lakmoesproef voor maatschappelijke keuzes, ook rond wonen.