Doorzoek volledige site
28 juni 2011 | TIM JANSSENS

Interview met architectenbureau Compagnie O (1)

Francis Catteeuw en Joke Vermeulen vormen nu al drie jaar samen met een drietal medewerkers het architectenbureau Compagnie O. Hoewel beiden eerder vooral faam verwierven onder eigen naam, zijn ze onder de noemer Compagnie O geleidelijk aan een stevige reputatie aan het opbouwen. Zo vertegenwoordigden ze ons land in november vorig jaar op het World Architecture Festival met hun ontwerp voor basisschool De Dender in Geraardsbergen. Bildinx had een inspirerend gesprek met dit bijzonder creatieve duo.
Francis Catteeuw en Joke Vermeulen vormen nu al drie jaar samen met een drietal medewerkers het architectenbureau Compagnie O. Hoewel beiden eerder vooral faam verwierven onder eigen naam, zijn ze onder de noemer Compagnie O geleidelijk aan een stevige reputatie aan het opbouwen. Zo vertegenwoordigden ze ons land in november vorig jaar op het World Architecture Festival met hun ontwerp voor basisschool De Dender in Geraardsbergen. Het shockeerde door z’n naakte functionaliteit en herinnerde de bezoekers eraan dat de essentie van architectuur niet ligt in zintuigenprikkelende constructies die willekeurig neergepoot worden, maar in de blijvende indruk die gebouwen achterlaten vanwege hun relevante schoonheid. Het typeert de ingesteldheid van deze twee creatieve en rusteloze mensen, die zichzelf telkens willen blijven heruitvinden aan de hand van nieuwe uitdagingen en trouw zweren aan hun idealen.


Compagnie O


Francis Catteeuw en Joke Vermeulen vormen de kern van Compagnie O. Na wat omzwervingen langs andere architectenbureaus besloten ze na herhaaldelijke succesvolle samenwerkingen om de krachten definitief te bundelen. Het blijkt een succesverhaal te worden, met als uitschieters het basisschool De Denderproject en hun nieuwe ontwerp voor de brandweerkazerne in Puurs. Toch verloopt niet altijd alles even vlot als het lijkt, vooral doordat Catteeuw en Vermeulen ook in het echte leven een koppel vormen: “Het is zeer moeilijk om samen een bureau te runnen. We zijn twee ego’s, punt.” Dit blijkt gedurende het interview menigmaal uit de veelvuldig voorkomende reactie ‘Ik ga daar niet helemaal mee akkoord’. Niettemin slaagt het duo erin om – zowel bij het discussiëren als bij het ontwerpen – constructief te werk te gaan, en dit met een gemeenschappelijke basisfilosofie. “Onze manier van werken kenmerkt zich door discontinuïteit, waarmee ik bedoel dat we er telkens in slagen om opnieuw te beginnen,” licht Catteeuw toe. “Je bouwt natuurlijk wel een oeuvre op, maar we denken niet dat we telkens volgens een soort eigen stijl werken, alleszins dat hopen we toch.”



Het Regionaal Technisch Centrum in Kortrijk is een perfecte illustratie van de bouwfilosofie van Compagnie O: doordachte en verfijnde architectuur met een grote functionele waarde.


Creativiteit, flexibiliteit en discussie staan centraal bij Compagnie O. Elke medewerker wordt geacht een gefundeerde mening te hebben, wat er soms voor zorgt dat projecten plots een heel andere wending krijgen. Catteeuw en Vermeulen beschouwen het gegeven dat ze niet binnen het hokje van een ‘stijl’ geduwd kunnen worden als een sterkte en durven dat ook uit te spelen. “Zo slagen we erin om dat soort canon, de veronderstelde manier van hedendaags bouwen, te omzeilen. Dit betekent niet dat we geen inspiratie opdoen van moderne architectuur, maar we zijn toch steeds op zoek naar dat gevoel van bevrijding.”


‘Moderne architectuur’

Over veel van die moderne architectuur heeft het duo nochtans een eigen mening. Vooral de tendens tot snelle productie en de schijnbare nood aan voortdurende veranderlijkheid stoot Catteeuw tegen de borst. “Er blijft zo weinig van hangen, het gaat niet diep. Zo hebben we vorige week het LaM-museum in Lille bezocht, dat een uitbreiding is op een gebouw uit de jaren tachtig, compleet met semitransparante huid en geperforeerde prefab-betonplaten. Ik vond het oude gebouw verdorie mooier dan de uitbreiding!” Ook Vermeulen stoort zich aan de oppervlakkigheid van de flamboyante ‘architectuur an sich’. Maar de tegenreactie via de moderne ‘niet-storende stijl’ van veel vastgoedprojecten kan haar evenmin bekoren. De rigiditeit die dergelijke gebouwen – ondanks de vaak speelse gevelconstructies – uitstralen werkt naar haar mening allerminst inspirerend: “Ik ben veel meer voorstander van iemand als Bob Van Reeth, die vindt dat je geen verhalen moet blijven vertellen met je architectuur maar dat je iets moet maken dat blijft duren en dat er goed en stevig staat.” 



Francis Catteeuw over de nieuwe brandweerkazerne van Puurs


De Vlaamse klei

Iets dat er doorgaans stevig staat – zeker gezien onze genetische fascinatie voor baksteen als bouwmateriaal – is de typische Vlaamse manier van bouwen. Maar dat geldt voor Catteeuw en Vermeulen enkel in de letterlijke betekenis. Het ongebreideld neerzetten van woningen naar eigen smaak, dat volgens Catteeuw een resultaat is van een goedbedoelde maar misplaatste politieke strategie van de vroegere katholieken om het volk tevreden te houden, heeft helaas geleid tot ruimtelijke chaos en lelijkheid. Zelf is het duo veel meer voorstander van de Nederlandse aanpak inzake landschaps- en stedenbouw: “De zoveelste lelijke Vlaamse steenweg verklaart waarom wij op vrijdag naar Nederland gaan en amper twee kilometer voorbij de grens beseffen dat het verschil toch duidelijk merkbaar is. Ergens hebben Nederlanders een beter gevoel voor maat van hun eigen ego: ze hoeven zich niet te onderscheiden door een andere gevel. Ze zijn sterk als volk en dat maakt hun architectuur zo fantastisch.”  



De discontinue werkwijze van Vermeulen en Catteeuw vertaalt zich in een erg afwisselend repertoire. Zo ontwierpen ze naast grote openbare gebouwen bijvoorbeeld ook deze privéwoning in Olsene. (Foto: Frederik Vercruysse)


Maar het is niet al kommer en kwel dat de klok slaat. In plaats van te berusten in de wanorde, onderstreept Vermeulen de positieve aspecten die onze situatie met zich meebrengt. De vele variatie kan ons als bouwers ook rijker maken, waardoor de achterliggende typisch Nederlandse drijfveer om enkel iets moois te maken voorbijgestreefd wordt door de motivatie om ook iets relevants tussen de puinhoop te zetten. “In dat opzicht is België een exotisch land voor architecten. De vrijheid en de diversiteit die hier heerst doet hen openbloeien.” Toch is de Belgische architectuur helemaal niet bekend in het buitenland. Dat is volgens Catteeuw en Vermeulen te wijten aan het feit dat Belgen geen praatcultuur hebben, dat we vasthangen aan dat typische bescheiden Vlaamse kleicomplex. Ook zij geven toe dat ze zich moeilijk kunnen loskoppelen van dat genetisch gegeven, maar hopen dat de nieuwe Vlaamse bouwmeester (Peter Swinnen) dat juk van de ‘integere nieuwe eenvoud’ van ons af kan gooien en dat Vlaanderen zich in het vervolg eindelijk zal kunnen profileren via betekenisvolle projecten. “Daarom zijn we ook naar het World Architecture Festival gegaan: het heeft iets arrogants om ons eenvoudig concept te midden van al die spektakelarchitectuur voor te stellen,” zegt Catteeuw.

Bron: Bildinx