Doorzoek volledige site
27 november 2018

Opinie: Het wettelijke verzekeringsbos en haar bomen

Karl Vinck, zaakvoerder van Assiver, geeft tekst en uitleg bij de nieuwe wetgeving over de uitgebreide verzekeringsplicht. “Wij ervaren dat architecten en ingenieurs door het bos de bomen niet meer zien. Waarbij het ‘bos’ en ‘de bomen’ dan bestaan uit diverse wetgevende initiatieven, standpunten van verzekeraars en interpretaties ervan door diverse betrokkenen (belangenverenigingen architecten of aannemers, verzekeraars, makelaars, experten,…)”, aldus Karl Vinck.

Het verlangen om de architect als natuurlijkpersoon te beschermen voor de financieel zware gevolgen die zijn beroep moet zich brengen, kreeg 10 jaar geleden met de Wet Laruelle invulling. De architect werd toegestaan door de wetgever om zijn activiteit uit te oefenen in een vennootschap en daardoor zijn privévermogen af te schermen voor de risico’s eigen aan zijn beroep.  Het gaf hem de gelegenheid om als vrij beroep het nut van een vennootschap ter bescherming aan te wenden zoals ook handelaars dat kunnen.  Weliswaar met naleving van wettelijke voorschriften, gecontroleerd door de Orde van Architecten.

Ter bescherming van de consument bouwde de toenmalige wetgever (Laruelle) een verzekeringsplicht in waarbij niet alleen aan de architect werd opgelegd om zich te verzekeren, maar waarbij diezelfde wetgever ook de omvang van de waarborg beschreef en zo de verzekeraars een wettelijk dekkingsengagement oplegde. Eenvoudig gesteld zou men kunnen zeggen dat de beroepsaansprakelijkheid die de architect wettelijk en deontologisch werd opgelegd, voor 90 à 95% werd afgeschermd door de toenmalige wettelijke verplichte verzekeringswaarborg “Wet Laruelle”.  De verzekeringsmaatschappijen hanteren sindsdien polisvoorwaarden die dus 90 à 95% van de aansprakelijkheid van de architect afschermen. 

Weliswaar riep een dergelijke ruime en eenzijdig aan de architect opgelegde verzekeringsplicht ergernis op bij de ontwerpers en hun verzekeraars omdat zij bij het regelen van bouwschade zich met meerdere niet verzekerde partijen geconfronteerd zagen.  Ergernis omdat schadelijders zich, ongeacht wie de ware verantwoordelijkheid droeg, bij voorkeur tot een verzekerde partij richten.

De wetgever werd na een procedure voor de rechtbank daardoor al snel verplicht om die ongelijkheid weg te werken.

Het zou echter nog vele jaren duren voordat er in de praktijk wijzigingen kwamen. Niet in het minst omdat getracht werd de verzekeringsomvang die de architect kende te vertalen naar de aannemers, zodat zij op eenzelfde verzekeringsniveau terecht kwamen. Dat bleek niet haalbaar. Enerzijds was het niet de wens van de verzekeraars om zover te gaan in hun verzekeringsengagement voor de aannemers en anderzijds zou de daarbij horende premieverhoging niet “te pruimen” zijn voor de bouwheer, hij die de rekening krijgt.

 

Nieuwe wettelijke verplichting

Om te slagen in het voornemen de verzekeringsplicht voor alle bouwpartners op eenzelfde niveau te brengen, besloot de wetgever het over een andere boeg te gooien.  Er werd besloten om de heersende verzekeringsplicht (die voor de architecten in hoofdzaak) te schrappen en deze te vervangen door een nieuwe wettelijke verplichting, op te leggen aan alle betrokken bouwpartners.

Voor de architecten betekende dat concreet de afschaffing van de verzekeringsplicht conform de Wet Laruelle.  Let op, “de verzekeringsplicht” werd geschrapt.  Deze schrapping wijzigt niets aan de verantwoordelijkheden van de architect. Die blijven onaangetast groot.

Met het oog op het installeren van eenzelfde verzekeringsplicht op de bij het bouwproject betrokken partners, oordeelde de wetgever een onderscheid te moeten maken tussen “zij die inpakt hebben op de stabiliteit” en “de dienstverleners in de bouw”.  De eerste groep bestaat zowel uit ontwerpers als uitvoerders, daar waar de tweede groep uitsluitend – de omschrijving zegt het reeds – dienstverleners zijn.

 

Ongelijkheid wegwerken

De wetten die vandaag in de actualiteit komen hebben dus tot doel om die ongelijkheid weg te werken en leggen een nieuwe verzekeringsplicht op.  Zo ging Wet Peeters – Borsus (Wet Peeters 1) op 1 juli 2018 van start met het schrappen van de verzekeringsplicht opgelegd door de Wet Laruelle en installeerde in eenzelfde beweging de wettelijke verzekeringsplicht voor “zij die inpakt hebben op de stabiliteit” van residentiele gebouwen.

Oorspronkelijk was het de bedoeling van de wetgever om op diezelfde dag – 1 juli 2018 – een tweede verzekeringsplicht op te leggen aan “de dienstverleners in de bouw”.  Die Wet Peeters – Ducarme (Wet Peeters 2) geraakte echter niet op tijd klaar en doorliep de afgelopen maanden dan het wetgevend traject. Om recent – 23 november ll. – door de federale Ministerraad aangekondigd te worden om op, zo wordt in de wandelgangen gezegd, 1 januari 2019 van start te gaan.

Hiermee is de missie van de wetgever geslaagd om het principe van gelijkheid, voor wat de wettelijke verzekeringsplicht betreft, terug te installeren.  Hoewel er vandaag al stemmen te horen zijn die in deze nieuwe wetten de kiemen van nieuwe ongelijkheden ontwaren. Mogelijk zal de prille wetgeving dus nog een juridische praktijktoets ondergaan.

Ook de verzekeringstechnische praktijktoets situeert zich in de toekomst.  De projecten die het voorwerp zijn van deze nieuwe wetten moeten nog gebouwd worden.  De schadegevallen die zich daarop zullen manifesteren, bevinden zich dus nog een tweetal jaren in de toekomst, voor wat Wet Peeters – Borsus betreft.  De toepassing van Wet Peeters – Ducarme zal mogelijk sneller werkelijkheid worden, maar desondanks zullen verzekeraars de tijd moeten nemen om hun polissen en waarborgen aan te passen aan die nieuwe verzekeringsplicht.

 

Heel scala aan verzekeringsplichten

Dit alles doet vermoeden dat nu er een heel scala aan verzekeringsplichten werkelijkheid wordt en deze dus over meerdere partners verdeeld is, de verzekeringskwaliteit gestegen is.  Jammer genoeg zijn er heel wat verzekeringstechnische kanttekeningen te maken bij de verzekeringsomvang die wettelijk verplicht wordt.  De wetgever merkt op dat het om een minimum verzekeringsplicht gaat waaraan de betrokkenen moeten voldoen.  Dat m.a.w. de verzekerden de vrijheid hebben om een hogere waarborg te onderhandelen met hun verzekeraars, dan dewelke de wetgever heeft bepaald.

Dit principe indachtig maakt dat de architect zich nu én vooral in de toekomst de vraag moet stellen welke waarborgen er door zijn verzekeraar worden aangeboden.  Hij moet immers weten dat wanneer zijn aansprakelijkheden door Wet Laruelle werden ingedekt tot 90 à 95%, de combinatie van de nieuwe wetten de wettelijke dekkingsinhoud aanzienlijk terugschroeft.  Tot een niveau van 60 à 65% van zijn aansprakelijkheid.

Om zich goed verzekerd te weten zal de architect dus de dekkingsinhoud van zijn verzekeringspolis beroepsaansprakelijkheid moeten gaan inschatten. Dat in combinatie met de waarborgen die door andere polissen worden geboden, zoals ABR en Goblale Polis Wet Peeters 1.

 

Nieuw verzekeringslandschap

Het wettelijke verzekeringsbos is geplant. De bomen gaan groeien, maar niet tot in de hemel.  Het zal zaak worden om goed hout te kunnen onderscheiden van sprok materiaal en om de weg naar een goede dekking te vinden.  Voor elk van de bouwpartners, ook voor de architect, komen we in een nieuw verzekeringslandschap terecht.  De redenering dat de wetgever nu de aannemer verplicht heeft zich te verzekeren, geeft dus maar een heel beperkt deel van de werkelijkheid weer.

Laat u begeleiden in de wijze waarop u als ontwerper deze nieuwe verzekeringswerkelijkheid eigen wil maken.  Er zijn een aantal gespecialiseerde dienstverleners die u met raad en daad kunnen bijstaan, waaronder Assiver.