Doorzoek volledige site
29 januari 2019 | FILIP CANFYN

Steen & Been: Fountainhead (2)

Onze huiscolumnist Filip Canfyn heeft, zoals beloofd in een vorige column, wat parafraserende doordenkers uit de architectenroman “The Fountainhead” (1943) van Ayn Rand verzameld. Hij geeft ze voor wat ze waar(d) zijn. Of zoals Multatuli zou zeggen: “Misschien is niets geheel waar en zelfs dat niet.”

1.
De bouwkunst is de grootste van alle kunsten omdat ze eigenlijk anoniem is. Er bestaan vele beroemde bouwwerken maar slechts weinig beroemde bouwers (laat staan architecten). Dit is terecht: de kwaliteit van een bouwwerk toeschrijven aan één persoon zou zeer beledigend zijn voor de vele ambachtslui, die aan het gebouw gewerkt hebben.
 

2.
Architecten worden onbelangrijk zodra het egoïsme en de ijdelheid van meestal rijke bouwheren slechts streven naar de bevrediging van de eigen slechte smaak, desnoods tegen het algemeen belang in. Daarom zijn er zo weinig grote architecten. Er zijn meer grote schrijvers. Uiteraard, want zij doen alles alleen en zij zijn niet afhankelijk van domme maecenassen.


3.
Architectuur kan liegen. Er bestaan gebouwen met zinloze kroonlijsten, met valse ramen en met zuilen, die niets dragen. Er bestaan gebouwen, die eruit zien als één grote ruimte met ramen over wel zes verdiepingen maar binnenin inderdaad zes verdiepingen tellen. Er bestaan gebouwen met één grote ruimte maar ook met een gevel, die versneden wordt door dikke banden en gestapelde ramen.
Architectuur heeft alleen een bestaansrecht vanuit een behoefte en een noodzaak maar niet omwille van bluf en snoeverij. De essentie van architectuur is die architectuur zelf, niet de toeschouwer.

 

4.
Een gebouw is een eenheid want het is een product van één man, van één architect. Een stad is geen eenheid omdat stedenbouw niet over alle gebouwen iets te zeggen heeft. Zo’n collectief product kan nooit de zelfstandigheid en integriteit van een eenheid als een gebouw hebben.

 

5.
Wie genieten àltijd van hun zomervakantie? Rijke mensen en arme mensen. Rijke mensen kunnen zich immers alle privacy veroorloven, arme mensen kunnen dan weer elkaars lichaam verdragen op het strand en op de dansvloer. De mensen tussenin, noch rijk noch arm, hebben wél een probleem: die hebben te weinig geld voor alleenzijn en te weinig zin voor kuddegedrag. Voor hen worden de vakantieparken uitgevonden.