Doorzoek volledige site
01 maart 2019 | TIM JANSSENS

Hergebruik van bouwmaterialen: op naar een circulaire mindset (2)

De grafische panelen, valse plafonds en lichtarmaturen in het Brusselse Ijssalon Gaston zijn afkomstig uit de 'tweedehandsstock' van Rotor. (Beeld: Rotor via opalis.be)
Lionel Devlieger: "Een belangrijk pijnpunt is dat we onze tweedehandsproducten moeten verkopen aan een btw-tarief van 21 %. We ijveren ervoor om dat terug te dringen naar 6 %, want anders dreigen veel actoren in onze sector kopje onder te gaan."

In het eerste deel van het artikel ' Hergebruik van bouwmaterialen: op naar een circulaire mindset' lichtte Lionel Devlieger van Rotor toe wat materiaalhergebruik precies inhoudt en welke bouwmaterialen en -producten effectief geschikt zijn voor recuperatie. In dit tweede deel focust hij op de voordelen van materiaalhergebruik, onterechte vooroordelen en de stimulerende rol van overheden, projectontwikkelaars en architecten.

De mogelijkheden voor het hergebruik van bouwmaterialen en -producten zijn legio, en als je het goed aanpakt ben je verzekerd van een uitmuntende kwaliteit. Zijn er voorts nog argumenten die twijfelaars definitief over de streep kunnen trekken? “Jazeker, want bouwmaterialen recupereren en hergebruiken is een uitstekende manier om de algemene CO2-uitstoot te reduceren", vertelt Lionel Devlieger. "Bij de productie en het transport van bouwmaterialen komen er nog altijd heel wat schadelijke emissies vrij. Het spreekt voor zich dat exotische natuursteen die per boot uit Azië komt een veel grotere ecologische footprint heeft dan een lokale variant die een tweede leven tegemoetgaat. Denk bijvoorbeeld ook aan houten vloeren. Uiteraard bestaan er labels zoals FSC en PEFC, maar zelfs het gecontroleerd kappen van bossen en wouden is niet nodig als je opteert voor een gerecupereerde plankenvloer, die bovendien vaak een uniek esthetisch karakter heeft."

"Vooral materialen waarvan de productie, de verwerking en/of het transport gepaard gaan met een hoge CO2-uitstoot moeten het mikpunt van recuperatie zijn”, legt Devlieger uit. “Voorts blijft de berg bouwafval die we in België jaarlijks produceren maar groeien – ter vergelijking: op dit moment is hij al twee keer zo groot als de piramiden van Gizeh. Ook die kunnen we deels terugdringen door meer in te zetten op hergebruik. En de voordelen voor de lokale economie zijn eveneens niet te versmaden. Een groeiende materiaalrecuperatiesector impliceert extra jobs.”

 

Onterechte vooroordelen

Nu we weten dat het hergebruik van bouwmaterialen en -producten heel wat belangrijke voordelen heeft, kunnen we misschien meteen ook enkele hardnekkige misvattingen laten varen. Want er zijn er best wel wat, beseft Lionel Devlieger: “Hergebruik wordt vaak geassocieerd met twee uiteenlopende toepassingen: enerzijds minderwaardige realisaties zoals ultra-eenvoudige overkappingsconstructies voor dieren, koterij of sloppenwijken, anderzijds uiterst dure designobjecten of -interieurs die enkel bestemd zijn voor de superrijken. Die extremen bestaan uiteraard wel, maar het intrinsieke potentieel van tweedehandsmaterialen en -producten is oneindig veel groter. Hergebruik scoort niet alleen in niches, maar is wel degelijk toegankelijk voor de grote massa. De kwaliteit van recuperatiematerialen kan zeer goed zijn zonder dat de prijs de pan uit swingt. Bovendien kan het in bepaalde opzichten zeer voordelig zijn om voor een recuperatievariant te opteren. Denk aan oude gietijzeren radiatoren, die er niet alleen stijlvol uitzien, maar qua thermische inertie ook nog eens veel beter presteren dan radiatoren uit plaatstaal. Als je ze ‘tweedehands’ aankoopt bij een specialist, krijg je ze doorgaans ook nog eens ‘als nieuw’ aangeleverd: de oude verf wordt professioneel verwijderd en vervangen door een nieuw laagje, de dichtingen worden gecontroleerd en indien nodig vervangen, de kranen worden desnoods vernieuwd … En dit alles zonder dat het karakteristieke uitzicht eronder lijdt.”

Een andere misvatting is dat recuperatiematerialen enkel gebruikt kunnen worden omwille van hun historische karakter of – sterker nog – dat ze er per definitie gedateerd uitzien. “Dat is veel te kort door de bocht, want sommige materialen en objecten worden zo goed gereinigd en/of hersteld dat je het verschil niet of nauwelijks ziet. Je kan er natuurlijk twee kanten mee uit: je kan expliciet tonen dat bepaalde elementen gerecupereerd en creatief verwerkt zijn – als uiting van een bepaalde stijl – of je kan proberen om ze er zo ‘nieuw’ mogelijk te laten uitzien. In onze eigen ontwerpprojecten neigen we eerder naar de tweede optie, want we hebben het niet zo voor een te expliciete ‘recuperatielook’. Andersom trachten heel wat fabrikanten nieuwe materialen dikwijls ook een ‘rustiek’ karakter te geven. De scheiding tussen tweedehandsproducten en nieuwe varianten is dus heus niet zo strikt als je op het eerste gezicht zou denken.”

 

"De scheiding tussen tweedehandsproducten en nieuwe varianten is heus niet zo strikt als je op het eerste gezicht zou denken. Ontwerpers moeten ook beseffen dat materiaalrecuperatie hun architecturale vrijheid allerminst inperkt"

 

Niet noodzakelijk duurder

Een laatste aspect dat we even onder de loep moeten nemen, is de prijs. Valt die hoger uit omdat de meeste recuperatiematerialen na ontmanteling ook nog eens gereinigd, gecontroleerd en desnoods (deels) vernieuwd worden? “Niet noodzakelijk”, aldus Lionel Devlieger. “Gezien de wetmatigheden van onze geglobaliseerde economie ben je op het eerste gezicht natuurlijk goedkoper af als je opteert voor materialen en producten die industrieel geproduceerd worden in lageloonlanden – vaak in erbarmelijke omstandigheden. Maar als je alles in rekening brengt en dus ook de maatschappelijke en ecologische aspecten incalculeert, ziet het kostenplaatje er veel minder rooskleurig uit. Een ‘kost’ is immers meer dan het bedrag dat je er zelf voor moet neertellen. Als je andersom ook nog eens de bijzondere kwaliteiten van recuperatiematerialen in rekening brengt (esthetiek, beperkt transport, lokale tewerkstelling en knowhow …), dan kom je aan het eind van het verhaal zeer voordelig uit.”

De verhouding ten opzichte van nieuwe varianten is natuurlijk ook sterk afhankelijk van het materiaal in kwestie. “Voor ijzerwaren zitten we bijvoorbeeld ver onder de gangbare prijs omdat ze in principe vrij makkelijk recupereerbaar zijn, relatief snel te reinigen zijn en niet al te veel opslagruimte vergen. Maar bij delicatere producten zoals houten of marmeren vloeren is dat kosten-batenvoordeel kleiner. Die variatie weerspiegelt zich ook in onze eigen winkel. We bieden zeer goedkope zaken aan, maar evenzeer dure, exclusieve dingen. Maar belangrijk om weten, is dat je ongeacht het prijskaartje altijd waar voor je geld krijgt! En dat is zeker ook het geval bij andere professionele handelaars van tweedehandsmaterialen en -producten!”

 

Hergebruik stimuleren

Niet alleen eigenaars en particuliere (ver)bouwers, maar ook overheden en projectontwikkelaars hebben een belangrijke verantwoordelijkheid op het vlak van materiaalefficiëntie en -hergebruik. “Zij zouden die broodnodige mentaliteitswijziging mee kunnen stimuleren door bijvoorbeeld op te leggen dat een bepaald percentage van de nieuwe of toegevoegde materialen in nieuwbouw- of renovatieprojecten verplicht gerecupereerd moeten zijn. Of door te eisen dat aannemers gerichter sorteren en zo de kwaliteit van puinfracties op te krikken. Elders zijn die ideeën al veel beter ingeburgerd. In Portland (Verenigde Staten) moeten alle gebouwen van voor 1916 verplicht ontmanteld worden, en in Cook County (in de buurt van Chicago) moet sinds 2012 bij iedere afbraak van woongebouwen minstens 5 procent van het totale materiaalgewicht verplicht bestemd zijn voor de hergebruiksector.”

“Een belangrijk pijnpunt is wel dat we onze tweedehandsproducten moeten verkopen aan een btw-tarief van 21 %”, benadrukt Lionel Devlieger. “We ijveren ervoor om dat terug te dringen naar 6 %, want voor heel wat actoren in onze sector kan dat het verschil maken tussen rendabel zijn en kopje onder gaan. Voorts moeten we op overheidsniveau duidelijk maken dat circulariteit een economische noodzaak zal worden. Eens er eindelijk maatregelen komen voor verplichte ontmanteling en/of hergebruik in overheidsprojecten, zal de trein vertrokken zijn.”

“Voorts kunnen ook architecten hun steentje bijdragen door makkelijker te ontmantelen constructies te ontwerpen. Dit kan bijvoorbeeld door snel demonteerbare mechanische verbindingen voor te schrijven in plaats van gelijmde verankeringen. Ontwerpers moeten ook beseffen dat materiaalrecuperatie hun architecturale vrijheid allerminst inperkt. Integendeel: creatieve zielen kunnen er heel wat originele nieuwigheden mee bedenken. En ook de technologie kan een belangrijk verschil maken. De mogelijkheid om tweedehandsmaterialen op te nemen in 3D-modellen zou zeker ook een mooie stap vooruit zijn.”