Doorzoek volledige site
14 mei 2019 | LIESBETH VERHULST

Architect Filip Canfyn: 'Vlaanderen gebruikt Brussel als vuilnisbak'

Geen betonstop, geen rekeningrijden, geen statiegeld. Auteur-architect Filip Canfyn stelt vast dat we er niet meer in slagen om ons systeem om te gooien. “Politici willen enkel crowdpleasen", zegt hij in dit interview met Bruzz. 

Filip Canfyn was achtereenvolgens architect, aannemer, projectontwikkelaar en directeur stadsontwikkeling in Kortrijk. Vandaag begeleidt hij complexe bouwprojecten in het onderwijs. Daarnaast is hij ook schrijver van zowel romans als non-fictieboeken. Zijn laatste publicatie gaat over onze onmacht om iets te doen aan onze problematische ruimtelijke ordening en de daaruit voortvloeiende energie- en mobiliteitsproblemen.

Canfyn woont nog steeds in Kortrijk, maar als ervaren pendelaar is hij ook een bevoorrecht observator van de problematische relatie tussen Vlaanderen en de hoofdstad. “In de trein zie ik veel mensen opstappen in Zottegem en Denderleeuw,” vertelt hij.

“Bewoners van verkavelingsvlaanderen die hier komen werken om hun vrijstaande woning te kunnen betalen, maar met de stad lachen. Terwijl Brussel hun verkavelingen financiert, vonden veel Vlamingen dat Trump gelijk had: het is een hellhole. In Denderleeuw stappen intussen veel Afrikanen op. Ex-Brusselaars die middenklasse willen worden op hun manier en hier nog een zaak hebben, maar hun kinderen elders willen opvoeden.”
 

Snelt u als pendelaar ook steevast snel naar huis na het werk?
Filip Canfyn: Vaak wel, zeker toen ik nog een hond had. Nu blijf ik al eens vaker hangen om nog ergens naartoe te gaan, of spreek ik met mensen af bij mijn favoriete Griek aan het Zuidstation. Maar ik kom ook in het weekend naar Brussel, naar de Zuidmarkt, of naar Bozar, Passaporta … Enig Dansaertgedrag is mij niet vreemd (grijnst). Ik ben nu eenmaal een hoogopgeleide Vlaming. Ik kom hier al sinds 1983, toen ik begon te werken bij Groep Planning, het huidige Sum. Brussel heeft mij nooit losgelaten en het is een onvoorstelbaar boeiende stad, maar ik ben het beu om dat te moeten uitleggen aan mensen die de stad niet begrijpen.
 

Uw nieuwe boek bouwt verder op ‘Het Syndroom van verkavelingsvlaanderen’ uit 2014, maar u bent vandaag veel pessimistischer dan toen.
Canfyn Onze problemen op het vlak van ruimtelijke ordening, mobiliteit en energie zijn alleen maar groter geworden. Als we al praten over energie gaat het enkele over de productie, nooit over de consumptie. En als we het hebben over mobiliteit, gaat het over investeringen, maar wie durft eindelijk eens te raken aan de salariswagen? We moeten ondertussen zoveel omgooien, dat we niet meer durven. We leggen bladeren op de hondenstront, maar hij ligt er nog altijd en hij stinkt meer en meer. Ik zie geen oplossing. Zelfs de betonstop, die nog niet snel genoeg kwam, is ondertussen afgevoerd. Ook een kilometerheffing of statiegeld blijven politieke fictie. Nobody dares, nobody cares.
 

"We hebben geen huisvestingsbeleid, maar een vastgoedbeleid"


Van politici moeten we volgens u niet veel verwachten. Ze vielen ten pooi aan het ‘populiberalisme’.
Canfyn: Politici willen enkel crowdpleasen, maar in een stad moet je soms keihard zijn. Voorrang geven aan zacht vervoer, dat vergt politieke moed, want je gaat sommige mensen ongelukkig maken. Ik heb mij serieus geërgerd aan de discussie over de voetgangerszone in Brussel.

Bij de invoering van de eerste verkeersvrije zone in Brugge - dat was in de jaren zeventig! - gooiden handelaars met tomaten naar de burgemeester omdat ze dachten dat de handel ging doodbloeden. Een jaar later boden ze met champagne hun excuses aan omdat de handel floreerde als nooit tevoren. We durven niet meer te zeggen dat we verkeerd bezig zijn en worden nergens nog getriggerd om op lange termijn te denken. Natuurlijk is het makkelijker om verder te doen. Everybody happy, behalve dan de onderlaag. Maar de gele hesjes zetten we weg als casseurs, dan hoeven we er geen rekening mee te houden.
 

Wordt het draagvlak om iets te doen aan de salariswagen niet stilaan groter?
Canfyn: Op een lezing stelde ik onlangs de volgende vraag: stel dat we op de dag dat we begonnen met salariswagens beslisten om mensen uit te betalen in drank en sigaretten in plaats van met een auto en een tankkaart? Destijds zou dat nog niet zo’n gek idee geweest zijn.

Zouden we dat dan nog in stand houden? Maar het is onbespreekbaar. Kijk ook naar de manier waarop Groen wordt afgeschilderd als een belastingpartij. Ik heb nog nooit voor de groenen gestemd, maar hoe goor is dat? Salariswagens kosten ons 4 miljard per jaar, terwijl we maar 200 miljoen spenderen aan schoolinfrastructuur en evenveel aan sociale huisvesting. Er is geen geld hoor je dan, maar we betalen vooral belastingen om onze eigen incentives te financieren.

We zouden onder meer alle energie­subsidies en renovatiepremies kunnen afschaffen, want enkel wie geld heeft om te investeren kan daarvan profiteren. We organiseren liever onterechte incentives dan dat we onze fiscaliteit echt te herdenken.


Geeft de huidige klimaatbeweging geen nieuwe hoop? De jonge generatie kan ouderen aan het denken zetten.
Canfyn: Ik heb meer hoop in de grootouders die meestappen, want de kinderen, met alle respect, die worden weggelachen. Je voelt de mensen week na week aftellen tot er nog maar honderd betogers over zijn. Dat is het cynisme van onze maatschappij.

We gaan lacherig om met dingen die ons confronteren met onszelf. Dat is ook onze volksaard: we doen ook nog altijd of we geen kolonies gehad hebben, niet in Rwanda geweest zijn. We verwijzen graag naar Scandinavië, maar anders dan in Vlaanderen stellen ze zich daar als samenleving wél echt in vraag. Kopenhagen is enkel fietshoofdstad kunnen worden omdat het zichzelf grondig in vraag heeft gesteld en niet andersom.
 

In Brussel hebben burgers de voorbije jaren toch dingen in beweging gezet: zonder protest hadden we vermoedelijk nog geen autovrije Anspachlaan of school­straten.
Canfyn: Dat klopt, maar er moet zoveel gebeuren. De hefboom ontbreekt om het systeem echt te veranderen. Ik geloof niet dat burgers dat alleen kunnen. Kijk naar huisvesting. Community Land Trust en cohousing zijn mooie initiatieven, maar de impact blijft verwaarloosbaar.

Een van de fundamentele problemen in Brussel en andere steden is het dalende aandeel eigenaars, in combinatie met een problematische huurmarkt. Er zijn veel onbetaalbare woningen en ook veel slechte, en soms zijn ze allebei tegelijk.

De groep die niet meer kan kopen, komt op de huurmarkt terecht en verdringt de volgende groep naar slechtere woningen enzovoort. Zelfs in Kortrijk heb ik grote ogen getrokken: woningen met buitenkeuken onder een golfplaten dak en vier slaapkamers waarvan er twee op zolder enkel met een klimkoord toegankelijk zijn … Dat is een potentiële bom voor de onderklasse, de gele hesjes, net zoals de files de bom zijn voor de middenklasse, de groene hesjes. We hebben veel meer sociale woningen nodig.Het probleem is dat we geen huisvestingsbeleid hebben, maar een vastgoedbeleid. Ons onderwijs en onze gezondheidszorg zitten nog redelijk goed, maar wonen hebben we helemaal overgelaten aan de private sector.
 

"We betalen vooral belastingen om onze eigen incentives te financieren"

 

Brussel probeert de middenklasse aan te trekken en vooral vast te houden, maar we zien dat de stad steeds dualer wordt, met concentraties van armoede en rijkdom. Hoe kunnen we dat omkeren?
Canfyn: Het aandeel van de middenklasse wordt steeds kleiner omdat de groep armen groeit. De Brusselaars blijven niet arm, maar wie opklimt en wegtrekt, wordt wel voortdurend vervangen door nieuwe armen. Wie verweesd in België terechtkomt, trekt meestal naar Brussel. Die concentratie van armoede in de stad is bijzonder in Europa. In Parijs, Rome of Amsterdam kunnen gewone mensen niet meer wonen. Neem het prestige van Europa weg en Brussel is echt een hellhole.

Die armen kosten meer dan ze opbrengen volgens bepaalde politici, maar in Brussel zien we dat zij electoraal wel belangrijk zijn. Vandaar het succes van het model-Moureaux in Molenbeek en het bestaan van de baronieën. De gemeenten zijn politiek gezien nog dorpen, waar de burgemeesters inspelen op hun eigen electoraat. Daarnaast zit je ook nog met Europa en Vlaanderen en Wallonië. Niemand wil zeggen dat hij of zij Brussel wil, maar tegelijk wil niemand het kwijt. Brussel is een bastaardkind en dan is het moeilijk.
 

U verwijst naar de drie toekomst­scenario’s van Abou Jahjah: de stad als getto, versterkte burcht of echte smeltkroes. Waar gaan we naartoe?
Canfyn: Zijn intelligente boek De stad is van ons bleef volgens mij ondergewaardeerd. Ik krijg rillingen van zijn juiste scenario’s en durf niet te voorspellen wat het wordt. We zullen moeten kiezen: willen we echte steden en dorpen, of een algemene flou artistique en blijven we alle miserie concentreren in Brussel en Antwerpen? Vlamingen gebruiken Brussel als vuilnisbak en verwijzen er dan naar als excuus om niets te veranderen. En ondertussen komen ze elke dag hun centen ophalen om toch in ‘landelijk’ Vlaanderen te kunnen blijven wonen.
 

De Brusselse superdiversiteit heeft een nieuwe identiteit gecreëerd, maar zal die volstaan om tot echte interactie, laat staan solidariteit te komen?
Canfyn: Ik ben geen believer zoals Eric Corijn, maar de diversiteit is een feit, daar kunnen we niet buiten. Het probleem is dat velen elke persoon van vreemde origine nog altijd zien als iemand die op onze kosten leeft. Quod non. Dat moet er echt uit. Solidariteit bestaat echter niet meer. Dat heeft te maken met het verdacht maken van de Gutmensch. Als beleefd rechts één ding kapot gemaakt heeft, is het dat.
 

U bent ingenieur-architect en werkte in de vastgoedsector, maar in uw boek zitten ook veel inzichten uit andere domeinen. Waar komt die brede blik vandaan?
Canfyn: Ik was altijd kritisch voor mijn eigen vak. Ik vond architectuur te bekrompen, te vrijblijvend. Als aannemer heb ik moeten leren wat commerce was en als projectontwikkelaar botste ik na een tijd op een andere beperking. Projectontwikkeling is nog geen stadsontwikkeling en op een bepaald moment wil je naar dat niveau.

Het was vooral mijn periode als ambtenaar in Kortrijk die mij geleerd heeft om dieper op de dingen in te gaan. Toen heb ik als het ware gedoctoreerd. In plaats van over vastgoed ging het over huisvesting, een essentiële stap. Dat is zoals de stap zetten van auto’s naar mobiliteit. We hebben toen de armste straat van de stad gerenoveerd. Honderdtien woningen voor het eerst voorzien van stromend water en isolatie, zodat de energierekening lager werd dan de huur. Maar politici huldigen liever een nieuwe woontoren in.
 

Met uw column ‘Steen en been’ op architectura.be bent u ook actief als architectuurcriticus. Worden er interessante dingen gebouwd in de hoofdstad?
Canfyn: Er zijn heel wat kleine inspanningen, maar door de band genomen blijft de vastgoedarchitectuur domineren. Ik zie het niet goedkomen met die nieuwe bankzetel, bijvoorbeeld (wijst naar de nieuwbouw van BNP Paribas Fortis, red.). Er zijn wel heel wat goeie renovaties, maar ik vind Brussel niet meteen een boeiende architectuurstad. We zouden in eerste plaats moeten inzetten op de renovatie van al die uitgewoonde oude woonwijken, maar hoe wil je dat aanpakken met negentien gemeenten? De Citroëngarage, dat kan nog wel iets worden. Daar kijk ik naar uit.