Doorzoek volledige site
22 mei 2019 | FILIP CANFYN

Wonen in Vlaanderen anno 2018

Illustratie | Steunpunt Wonen

Filip Canfyn vatte voor ons de belangrijkste cijfers uit de Woonsurvey 2018 samen. Deze studie van het Steunpunt Wonen baseert zich op een bevraging van 3.000 representatieve huishoudens. Vergelijkingen worden gemaakt met Woonsurvey 2005 en met Groot WoonOnderzoek 2013, dat wel een andere methodiek volgt. De studie behandelt alleen bewoonde woningen, dus geen langdurig leegstaande woningen, tweede verblijven, studentenkamers, … In zijn nieuwste Steen & Been lees je de bedenkingen van Canfyn bij deze studie. 

1. WONINGTYPE

  • 74% van de Vlaamse huishoudens wonen in een eengezinswoning (EGW), die zo het dominante woningtype blijft. Het aandeel van de meergezinswoningen (MGW) stijgt, net als het MGW-marktaanbod: 42% van de woningen, die na 2000 gebouwd worden, zijn MGW tegenover 26% van de woningen van de bouwperiode 1961-1980. Meer dan 60% van het huidige woonpatrimonium werd voor 1980 gebouwd. Uit dezelfde periode dateren 65% van de huidige EGW en 51% van de huidige MGW. Na 2000 worden deze aandelen respectievelijk 13% en 30%.
  • 69% van de private huurwoningen zijn MGW. Ook dit aandeel stijgt (58% in 2005). 90% van de eigenaars heeft dan weer een EGW. Dit aandeel blijft hoog (91% in 2005).
  • 43% van de leeftijdsgroep 18-34 jaar woont in een MGW. Ook dit aandeel stijgt.
  • Inkomensquintielen Q1 en Q2 bewonen meer en meer MGW: de respectievelijke aandelen zijn 39% (23% in 2005) en 31% (22% in 2005). Het belang van de MGW daalt naarmate het inkomen stijgt.
  • Hoewel MGW vooral na 2000 gebouwd worden en de lagere inkomensquintielen vooral in MGW huizen woont ruim één derde van Q1, Q2 en Q3 in een woning uit de periode 1961-1980 (dus met een ouderdom van minstens 40 jaar). Slechts 10% tot 15% van Q1, Q2 en Q3 wonen in een EGW of MGW van na 2000.

 

2. WONINGLOCATIE

  • 18% van de EGW liggen in de grote en regionale steden (GRS), 61% in de niet-stedelijke gemeenten (NSG). Voor de MGW bedragen die aandelen respectievelijk 45% en 32%.
  • 20% van de eigenaars wonen in de GRS, 60% in de NSG. Voor de private huurders bedragen die aandelen respectievelijk 41% en 38%, voor de sociale huurders respectievelijk 42% en 32%.
  • 29% van Q1 woont in de GRS, 50% in de NSG. Voor Q5 bedragen die aandelen respectievelijk 8% en 60%.

 

3. EIGENDOM EN HUUR

  • 72% van de Vlaamse huishoudens zijn eigenaars, 19% private huurders en 7% sociale huurders. In 2005 bedroegen die aandelen respectievelijk 74%, 18% en 6%.
  • Het aandeel eigenaars zakt dus globaal lichtjes maar per inkomensquintiel toont dit aandeel een divers gedrag. Q1 telde in 2005 nog 63% eigenaars tegenover 50% (--) in 2018. De andere inkomensquintielen leveren respectievelijk volgende cijfers op: van 70% naar 63% (--) voor Q2, van 72% naar 70% (SQ) voor Q3, van 81% naar 84% (+) voor Q4 en van 85% naar 90% (+) voor Q5.
  • De grote steden tellen 45% eigenaars, de NSG 80% en Vlaanderen gemiddeld 72%. Wat betreft private huurders bedragen die aandelen respectievelijk 41%, 14% en 19%, wat betreft sociale huurders respectievelijk 12%, 4% en 7%.
  • In 2005 zitten 22% van de huurders in Q1 en 14% in Q5. In 2018 worden die aandelen 27% en 8%.
  • 70% van de eigenaars, die hun woning na 2001 hebben verworven, hebben een bestaande woning gekocht. In de periode 1996-2000 bedroeg dit aandeel nog maar 44%. Het bouwen met een eigen aannemer daalt continu: van 37% (1996-2000) over 12% (2011-2015) naar 6% (2016).
  • 96% van de eigenaar-bewoners wensen eigenaar te blijven omdat volgens hen (1) dan geen verloren huur moet betaald worden , (2) een eigen woning een goede vorm van sparen en investeren is, (3) zo de zekerheid bestaat dat men niet buiten zijn wil om moet verhuizen.
  • Huurders, die geen eigenaar willen worden, motiveren dit standpunt vooral vanuit (1) het niet hebben van voldoende middelen en (2) het zich geen zorgen willen maken over grote onderhoudswerken en bijhorende kosten.
  • 33% van Q1 heeft een woonquote boven 30%: 50% van de eigenaars met een hypotheek, 83% van de private huurders en 30% van de sociale huurders.
  • 25% van Q2 heeft een woonquote boven 30%: 47% van de eigenaars met een hypotheek, 64% van de private huurders en 17% van de sociale huurders.
  • 21% van Q3 heeft een woonquote boven 30%: 33% van de eigenaars met een hypotheek, 47% van de private huurders en 5% van de sociale huurders.

 

4. TRANSITIE ‘SLIM WONEN EN LEVEN’

  • De woonvoorkeur blijft gaan naar een open of halfopen woning. 72% van de Vlaamse huishoudens willen het liefste wonen in dat type, slechts 10% opteren voor een rijwoning.
  • Hoogbouw schrikt zeer sterk af maar deze aversie begint eigenlijk al vanaf vier verdiepingen.
  • 47% van de Vlaamse huishoudens willen zeker niet of eerder niet een parkeerruimte of fietsenstalling delen.
  • 72% van de Vlaamse huishoudens willen zeker niet of eerder niet een (stuk) tuin delen.
  • 82% van de Vlaamse huishoudens willen zeker niet of eerder niet een wasplaats of berging delen.
  • 91% van de Vlaamse huishoudens willen zeker niet of eerder niet een extra ruimte (leefruimte, keuken) delen.
  • 97% van de Vlaamse huishoudens willen zeker niet of eerder niet een eigen leefruimte of keuken delen.
  • 13% van de Vlaamse huishoudens willen in de stad wonen, 21% in een centrum van een dorp. 32% opteren voor de stadsrand (suburbanisatie), 34% voor het platteland (rurbanisatie). Twee derden wijzen dus het wonen in een verdichte kern af.