Doorzoek volledige site
02 mei 2012 | TIM JANSSENS

Belgische architecten vertellen over hun ervaringen met buitenlandse projecten

Belgische architecten in het buitenland: wie zijn ze? Wat doen ze? En vooral: hoe krijgen ze het voor elkaar? In een debat tussen Luc Reyn (Crepain Binst Architecture), Luc Deleuze (Art & Build) en Hendrik Vermoortel (BURO II & ARCHI+I), dat plaatsvond op het Architectencafé van de Bond van Vlaamse Architecten in het Leuvense M-museum, werden deze vragen enigszins beantwoord.
Belgische architecten in het buitenland: wie zijn ze? Wat doen ze? En vooral: hoe krijgen ze het voor elkaar? In een debat tussen Luc Reyn (Crepain Binst Architecture), Luc Deleuze (Art & Build) en Hendrik Vermoortel (BURO II & ARCHI+I), dat plaatsvond op het Architectencafé van de Bond van Vlaamse Architecten in het Leuvense M-museum, werden deze vragen enigszins beantwoord.  

De drie debatterende sprekers behoeven nauwelijks nog een introductie. Luc Reyn volgt al enkele jaren de buitenlandse projecten van Crepain Binst Architecture op, dat al erg veel mooie projecten in Nederland tot een goed einde bracht. Luc Deleuze is zaakvoerder van het Brusselse Art & Build, een bureau dat ruim de helft van z’n omzet realiseert in het buitenland, en dan voornamelijk bij onze zuiderburen. Hendrik Vermoortel is de oprichter van BURO II & ARCHI+I en was met z’n bureau al enkele malen actief in China, Amerika en Oost-Europa. Voor het Baiyun International Convention Centre kreeg BURO II in 2008 zelfs een prestigieuze WAF-award. Reyn, Deleuze en Vermoortel hadden het in hun gezamenlijke gesprek onder andere over de verhouding tussen cultuur en architectuur, de andere rol die een architect in het buitenland vervult en de meerwaarde die onze architecten voor hun buitenlandse opdrachtgevers kunnen betekenen.




Luc Deleuze (Art & Build), Luc Reyn (Crepain Binst Architecture) en Hendrik Vermoortel (BURO II & ARCHI+I).




Verhouding cultuur-architectuur


Mijnheer Vermoortel, hoe komt het dat jullie zowel in Azië als in Amerika en Oost-Europa actief zijn? Is dat een bewuste keuze?

Vermoortel: Neen, het is eerder een kwestie van toeval. Wat wel een keuze is, is dat we een nieuwe bouw- en architectuurfilosofie brengen op de plekken waar we actief zijn. Vroeger verwachtte men in het buitenland veel van de ‘stars’, bekende namen die een nieuwe architectuur introduceerden die soms helemaal niets te maken had met de lokale cultuur. Ik ben echter van mening dat het ontleden van de verschillende culturen op en rond een bepaalde bouwlocatie een belangrijke voorwaarde is om aan architectuur te doen. Enkel de symbiose van verschillende culturen kan tot een nieuwe vorm van architectuur leiden. Eenzelfde gebouw in China, Moskou of Luxemburg zou er dus nooit hetzelfde mogen uitzien.


    

Het Baiyun International Conference Centre van BURO II (China) en Ode Dock van Crepain Binst Architecture (Oosterdokseiland, Amsterdam).



Reyn: Ik volg Hendrik in deze redenering, maar het is ook zo dat je als buitenlandse architect iets moet kunnen aanbieden dat de plaatselijke architect niet noodzakelijk zelf kan. In Nederland hebben we bijvoorbeeld een aantal typologieën geïntroduceerd omdat we vanuit onze ervaring met het ontwerpen van een woning hebben geleerd hoe het op bepaalde vlakken beter kan. We hebben de ontwikkelaars daar soms wel van moeten overtuigen, want versta me niet verkeerd: het zijn zij die de touwtjes in handen hebben. In Nederland liggen de plattegronden al vast: de ontwikkelaars bepalen hoe de woning ingedeeld is. Als architect heb je daar vooral de taak om een interessante compositie (waarbij het gaat om een bepaalde manier van samenwonen) en een gevel te ontwerpen. Je hebt er niet –zoals in Vlaanderen het geval is – de vrijheid om een gebouw te ontwerpen op basis van de behoeften van de uiteindelijke gebruikers. Je bent dus voor een groot deel afhankelijk van de kwaliteit en de ruimdenkendheid van de ontwikkelaar waarvoor je werkt. In Vlaanderen zien we die ontwikkelaars nu ook opkomen. We worden meer en meer toerist op eigen werf, wat onze kwaliteiten als ‘allround-architect’ een stuk beperkt.



Luc Reyn (Crepain Binst Architecture) vertelt dat het in Nederland vooral de projectontwikkelaars zijn die de touwtjes in handen hebben. Niet de architect, maar de ontwikkelaar ontwerpt de plattegrond. Als architect ben je er dus ook afhankelijk van de kwaliteiten van de ontwikkelaar waarmee je samenwerkt, wat de veelzijdigheid van de Belgische architecten in zijn ogen een beetje ondermijnt.



Mijnheer Deleuze, merkt u ook in Frankrijk dat de cultuur daar sterk verschilt van de onze?

Deleuze: Jazeker. Er zijn trouwens verschillende Frankrijken, het is een erg veelzijdig land. Dit maakt het natuurlijk net zo interessant. Of je nu in Parijs, Straatsburg, Toulouse of Bordeaux werkt: je hebt altijd tijd nodig om aan te voelen wat ze er precies van jou verlangen. Je moet je een beetje kunnen aanpassen, en net die eigenschap is de sterkte van Belgische architecten. België is altijd al een kruispunt van verschillende culturen geweest, dus we zijn het dan ook gewoon om ons aan te passen. We realiseren ons makkelijker dan andere architecten dat we in het buitenland actief zijn om een bepaalde cultuur te uiten en dat we eigenlijk ‘vertalers’ zijn. Onze toegevoegde waarde is dat we begrijpen hoe we de ambitie van de bouwheer kunnen vertalen in een bepaalde architectuur.
Anderzijds zie je wel dat Franse architecten goed aan de bak komen in het buitenland. Vooral in China zijn ze zeer actief. Dit komt omdat ze van de Franse regering subsidies krijgen om aan wedstrijden mee te doen. In Frankrijk beseft men maar al te goed dat architecten een economische voorhoede zijn. Wanneer ze een buitenlands project moeten realiseren, doen ze immers dikwijls een beroep op Franse studiebureaus en aannemers. De Belgische regering zou moeten inzien dat wij architecten  met onze buitenlandse activiteiten – mits een goede ondersteuning – een grote invloed kunnen hebben op de binnenlandse economie.  



Luc Deleuze (Art & Build) meent dat architecten de taak hebben om aan de hand van de gebouwen die ze ontwerpen een bepaalde cultuur te uiten. Omdat België altijd al een kruispunt van verschillende culturen is geweest, zijn Belgische architecten het volgens hem gewend om op zoek te gaan naar die culturele specificiteit.
 




Luc Deleuze (Art & Build) over de economische stimulans die architecten hun land kunnen geven. Door buitenlandse projecten aan te nemen, maken ze hun land bekend in het buitenland en creëren ze dikwijls ook werkgelegenheid voor hun landgenoten (door met aannemers en studiebureaus uit eigen land samen te werken). De overheid zou onze architecten volgens hem beter moeten ondersteunen omdat ze een economische voorhoede vormen.


 

Belg in buitenland



Hoeveel procent van jullie omzet realiseren jullie momenteel in het buitenland?

Deleuze: Bij ons ligt dat rond de 55 procent.

Reyn: Wij hebben een periode gehad dat we fifty-fifty werkten. Nu helt de balans opnieuw over naar België (80 tot 85 procent), ook omdat we hier naast woningen ook kantoren realiseren. In Nederland deden we enkel en alleen woningbouw, en daar liggen nu erg veel projecten stil ten gevolge van de crisis.

Vermoortel: Op een bepaald moment was dit bij ons ook zo, maar na het aflopen van een groot buitenlands project zoals het Baiyun international Convention Centre, vallen we toch altijd graag terug op onze Belgische pool. Een groot buitenlands project vraagt veel tijd en energie van bureaus als het onze. In plaats van voortdurend te proberen om elkaar de loef af te steken, zouden Belgische bureaus beter synergieën aangaan en samenwerken om competities te kunnen winnen en mooie projecten in het buitenland te kunnen realiseren. Laten we onze ideeën samenbrengen, we kunnen er alleen maar van leren. We moeten als Belgen ook niet te beroerd zijn om in het buitenland onze neus aan het venster te steken, we kunnen zeker even veel als alle anderen.


Raden jullie andere Belgische architecten zo’n buitenlands avontuur aan?

Deleuze: Zeer zeker. Zoals mijnheer Vermoortel net vertelde, zijn buitenlandse projecten in de eerste plaats zeer leerrijk. Bovendien geven ze ons bureau een stevige ‘boost’, een nieuwe dynamiek. Onze medewerkers komen met andere personen, thema’s en visies in contact en steken hier erg veel van op. Ik zou collega-architecten toch eens aanraden om in Frankrijk te komen kijken. In Toulouse staat er bijvoorbeeld erg veel te gebeuren. 



Hendrik Vermoortel (BURO II & ARCHI+I) hekelt de bikkelharde concurrentie tussen de Belgische architectenbureaus. In plaats van elkaar voortdurend de loef af te steken, zouden ze beter meer samenwerken om meer in aanmerking te kunnen komen voor grote buitenlandse projecten.



Hoe kijkt men in het buitenland aan tegen Belgische architecten? Wat appreciëren buitenlandse bouwheren het meest in onze manier van ontwerpen?

Deleuze: Het zal onze eigen bouwheren misschien verbazen, maar buitenlandse opdrachtgevers blijken het op prijs te stellen dat we echt naar hen luisteren, meer dan andere architecten. In Frankrijk zou de coördinatie tussen de bouwheer en een plaatselijke architect naar verluidt veel stroever verlopen. Ze vinden het fijn dat wij wel de tijd nemen om te leren begrijpen wat ze eigenlijk willen. In Frankrijk tekenen architecten een ontwerp en laten ze het uitvoerende gedeelte volledig aan de bouwheer over, terwijl Belgische architecten meestal ook gedurende de uitvoeringsfase betrokken blijven. We zijn het gewoon om projecten echt te 'leiden', en dat wordt toch als een groot pluspunt aanzien. Deze manier van werken heeft ons al heel wat mooie opdrachten opgeleverd.

Reyn: Inderdaad. De klantgerichte aanpak die de meeste Belgische architecten hanteren, wordt enorm geapprecieerd. In plaats van wild te gaan experimenteren, halen wij juist voldoening uit het efficiënt ingaan op de wensen van onze opdrachtgever. Bij Crepain Binst ervaren we ook dat de detailgraad van Belgische bureaus stukken hoger ligt dan die van onze Nederlandse collega's. Wij bereiden projecten voor vanuit een 'bouwfilosofie', terwijl je in Nederland toch veel meer met echte projectarchitecten te maken krijgt die zich amper vragen stellen over de praktische uitvoerbaarheid van hun ontwerpen. Over het algemeen zijn we als ‘allround-architecten’ sterker gevormd. Als je als bureau zowel van ontwerpen als van bouwen verstand hebt en ook nog eens een stedenbouwkundige basis bezit, staat dat toch wel garant voor een zekere kwaliteit.

Vermoortel: Dat is juist. Belgische architecten zijn in staat om zowel de technische en constructieve als de culturele component te vatten in één ontwerp, terwijl je ziet dat dit bij veel buitenlandse gebouwen 'naast elkaar staat' en dat de architecten deze zaken niet hebben weten te combineren. Als Belgen beheersen wij ook wel die 'emotionele' component. Architectuur is de spiegel van een plaats, van een beeld, van een cultuur, en ons grote voordeel is dat wij die specificiteit steeds trachten te begrijpen en te doorgronden.



Luc Reyn (Crepain Binst Architecture) weet dat de 'klantgerichte' aanpak van Belgische architecten in de smaak valt bij buitenlandse opdrachtgevers. Voorts is het een grote troef dat Belgische architecten bouwgericht denken, iets wat bijvoorbeeld in Nederland (waar er een onderscheid tussen ontwerparchitecten en uitvoerende architecten bestaat) veel minder het geval is.




Architecturale ziel



Houden jullie die buitenlandse projecten grotendeels zelf in handen of besteden jullie een deel van het werk uit aan lokale partners? In hoeverre is het op financieel vlak haalbaar om medewerkers naar het buitenland te sturen?

Deleuze: Tegenwoordig hebben we bij Art & Build contact met bureaus in Vietnam en Tunesië. Zij bieden zich aan om voor ons te werken. De lonen liggen veel minder hoog in die landen, dus als we onze projecten door hen laten tekenen, zouden we op financieel vlak een goede zaak kunnen doen. Maar we doen dit niet, omdat we vinden dat we een ethische verantwoordelijkheid hebben. We werven mensen aan die door hun goede opleiding een toegevoegde waarde kunnen bieden. Art & Build wil niet enkel een adres zijn dat omwille van z'n business contracten aanneemt en laat uitvoeren, want dan verkopen we onze ziel. We hebben dus besloten om het meeste werk in Brussel en Parijs te blijven doen. Als je over export van architectuur spreekt, heb je het over iets bijzonders waarmee wij Belgen ons onderscheiden van de rest, en niet louter over een financiële transactie.
 
Vermoortel: Toch denk ik dat het aangewezen is om een lokale compagnon te vinden die op dezelfde golflengte zit. Maar we zullen nooit in een project stappen waarbij de buitenlandse partner niet betrokken is bij het ontwerp. Zelf een ontwerp maken en het in het buitenland laten uitvoeren, is volgens ons zinloos.



Luc Deleuze en z'n collega's bij het bureau Art & Build hebben inmiddels heel wat ervaring met buitenlandse architectuurprojecten. Hoewel het een stuk goedkoper is om hun ontwerpen door lokale aannemers en studiebureaus te laten realiseren, opteert Deleuze toch steeds voor z'n eigen werknemers, die door hun goede opleiding een toegevoegde waarde kunnen betekenen.



Tot slot: wat zijn de belangrijkste zaken die jullie in die buitenlandse projecten hebben geleerd?

Deleuze: Je leert andere opvattingen en culturen veel beter inschatten. Door samen met buitenlandse partners te streven naar een gemeenschappelijk doel creëer je een erg boeiende dynamiek die je voedt als mens en als architect.

Reyn: Zoals gezegd komen de ontwikkelaars ook in België steeds meer op. Aangezien we het in Nederland gewend zijn om op zo'n manier te werken, zijn we gewapend tegen deze evoluties. We weten welke moeilijkheden en gevaren zich kunnen voordoen. Vanuit onze ervaring kunnen we de iets minder ervaren ontwikkelaars een beetje sturen.
 
Vermoortel: Waar er vroeger in Vlaanderen vooral kleine projecten op stapel stonden, zie je vandaag de dag veel grote projecten opduiken. Deze nemen dan meestal ook iets meer tijd in beslag.  Door onze grote buitenlandse projecten zijn we deze mechanismen (uitwisseling van stijlen en culturen) wel meester. Samenwerken met mensen die in een andere discipline actief zijn en een andere opleiding genoten hebben, is zeer boeiend. We hebben in het buitenland geleerd hoe we hier de vruchten van kunnen plukken.   



Het EFSA-gebouw in Parma van Art & Build.