Doorzoek volledige site
13 juni 2019 | LIESBETH VERHULST

“Het bouwmeesterschap staat als een huis”

Illustratie | Katrijn Van Giel
Illustratie | Katrijn Van Giel
Illustratie | Katrijn Van Giel

Dit jaar is het twintig jaar geleden dat bOb van Reeth als eerste Vlaams Bouwmeester van start ging. Dat viert het Team Vlaams Bouwmeester met een reeks publieksevenementen. Afgelopen dinsdag is de aftrap gegeven met een gespreksavond over de rol en toekomst van het bouwmeesterschap. Architectura.be was erbij en stelde vast dat het bouwmeesterschap staat als een huis, dat een bouwmeester moet bouwen én niet bouwen, dat de bouwmeester geen superman (of vrouw) is, dat ruimtelijke ordening de olifant in de kamer was, dat een bouwmeester zo sterk is als zijn instrumenten en dat voetbal ook in de architectuur heel wat kan verhelderen.

De gespreksavond vond plaats in het Atelier Bouwmeester in Brussel. Na een welkomstwoord door huidig Bouwmeester Leo Van Broeck werd het debat in goede banen geleid door Véronique Patteeuw, docent aan de Ecole Nationale Supérieure d’Architecture et du Paysage de Lille en visiting professor aan de KU Leuven.  Ze ging in gesprek over veranderende maatschappelijke uitdagingen en ruimtelijke opgaven, over hoe de Vlaamse Bouwmeester in het licht daarvan zijn rol kan vervullen, en over de methodes en instrumenten die daarbij worden ingezet. Panelleden waren Sofie De Caigny (directeur Vlaams Architectuurinstituut), Dirk Somers (Bovenbouw Architectuur), Véronique Claessens (directeur Ruimtelijke Ontwikkeling, stad Genk) en Michiel Dehaene (hoofddocent Stedenbouw UGent) en Bart Casier (directeur Intercommunale Interwaas; Casier schreef als kabinetsmedewerker van Wivina de Meester mee aan het mandaat van de eerste bouwmeester).

Véronique Patteeuw trapte het debat af met een aantal observaties over het bouwmeesterschap. “De voorbije decennia wisten de opeenvolgende bouwmeesters het gebouwde publiek patrimonium naar een hoger niveau te tillen”, zei ze. “Deze kwaliteitssprong wordt intussen algemeen erkend, in Vlaanderen en daarbuiten. Dit manifesteert zich in de eerste plaats in de uitbouw van een sterke architectuurpraktijk met internationale uitstraling. Architecten zijn hun rol breder gaan invullen. De praktijk diversifieert zich en wordt transversaal. Dit alles heeft ook geleid tot een dynamisch architectuurveld dat volwassener, internationaler maar ook lokaler is geworden met allerlei lokale organisaties die het debat over architectuur aanzwengelen. Langs de andere kant heeft het bouwmeesterschap geleid tot een cultuur van bevlogen opdrachtgeverschap, die door de vele instrumenten van de Vlaams Bouwmeester werd gestimuleerd. Deze instrumenten zijn doorheen de periode van twintig jaar geëvolueerd van pure projectbegeleiding tot de grotere schaal en langere termijn, ontwikkeld voor ontwerpopdrachten die niet strikt gelinkt zijn aan de klassieke architectuuropdracht.”

Conclusie: we zijn goed bezig in Vlaanderen. Maar wat betekent dat nu voor de komende twintig jaar? “Kunnen we op onze lauweren blijven rusten of staan we aan de vooravond van een nieuwe maatschappelijke context die fundamenteel onze samenleving zal uitdagen en dus andere uitdagingen en agenda’s voor de bouwmeester met zich zal meebrengen?”, poneerde Véronique Patteeuw.  

De panelleden kregen twee vragen voorgeschoteld. Wat zijn voor u de nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen die potentiële uitdagingen vormen voor het bouwmeesterschap? Zijn de instrumenten die de bouwmeester vandaag ter beschikking heeft nog voldoende actueel: moeten er nieuwe uitgevonden worden en/of moeten we er een aantal opbergen?

Naast de panelleden waren ook een aantal betrokkenen uitgenodigd om deel te nemen aan het debat, die in diverse hoedanigheden en vanuit diverse hoeken, met het bouwmeesterschap vertrouwd zijn: Leo Van Broeck (wiens mandaat afloopt in 2020), Wivina Demeester, Stefan Devoldere, Maarten Liefooghe, André Loeckx, Marc Santens, Peter Swinnen, Peter Vanden Abeele en Sylvie Van Damme.

De meningen liepen soms uiteen maar er waren ook veel overeenkomsten te bemerken. Voor de ene moet de bouwmeester thematisch kiezen en zich meer focussen op het woonvraagstuk, voor de andere kunnen er geen bouwmeesters genoeg zijn. Terwijl ruimtelijke ordening voor de ene de olifant in de kamer was, moet volgens de andere de bouwmeester vooral een bouwmeester zijn en geen landschapsmeester. Er werd zelfs een voetbalveld bij gehaald om te illustreren dat architecten zich vandaag voornamelijk in het doelgebied situeren om zoveel mogelijk te kunnen scoren, terwijl ze zich eigenlijk meer in het middenveld moeten bewegen.
Ook de instrumenten van de bouwmeester werden tegen het licht gehouden. Ze werden positief geëvalueerd, al mogen ze voor sommigen nog meer leiden tot de spreekwoordelijke ‘schop in de grond’. Verschillende sprekers waren ook vragende partij voor de ontwikkeling van een nieuw instrument als leidraad voor de samenwerking met private bouwheren.

Volgende week kan je een uitgebreid verslag lezen van het debat op architectura.be.