Doorzoek volledige site
20 juni 2019 | LIESBETH VERHULST

Wat zijn de uitdagingen voor de volgende Vlaams Bouwmeester?

Illustratie | Katrijn Van Giel
Illustratie | Katrijn Van Giel

Het Atelier Bouwmeester vormde vorige week het decor voor een boeiend debat over 20 jaar bouwmeesterschap. Wat zijn de maatschappelijke uitdagingen die de volgende bouwmeester het hoofd moet bieden en wat is daarvoor het geschikte instrumentarium? Deze twee vragen vormden de aanzet voor een geanimeerd debat tussen panelleden die vanuit diverse hoeken bij het bouwmeesterschap betrokken zijn.

Panelleden waren Sofie De Caigny (directeur Vlaams Architectuurinstituut), Dirk Somers (Bovenbouw Architectuur), Véronique Claessens (directeur Ruimtelijke Ontwikkeling, stad Genk) en Michiel Dehaene (hoofddocent Stedenbouw UGent) en Bart Casier (directeur Intercommunale Interwaas; Casier schreef als kabinetsmedewerker van Wivina Demeester mee aan het mandaat van de eerste bouwmeester). Naast de panelleden waren ook een aantal betrokkenen uitgenodigd om deel te nemen aan het debat, die in diverse hoedanigheden en vanuit diverse hoeken, met het bouwmeesterschap vertrouwd zijn: Leo Van Broeck (wiens mandaat afloopt in augustus 2020), Wivina Demeester, Stefan Devoldere, Maarten Liefooghe, André Loeckx, Marc Santens, Peter Swinnen, Peter Vanden Abeele en Sylvie Van Damme.

Sofie De Caigny mocht de spits afbijten. Voor haar ligt de essentie van het bouwmeesterschap in de onafhankelijkheid van het mandaat, dat de bouwmeester en zijn team toelaat om transversaal te werken. “Het Vlaamse beleid is erg verkokerd, met schotten tussen de beleidsdomeinen. Door die onafhankelijkheid kan de bouwmeester tegenstrijdigheden in de regelgeving tussen de verkokerde beleidsdomeinen overstijgen”, zei ze. “Ik zie de bouwmeester als een curator in de meest directe zin van het woord, iemand die de zorgende rol opneemt voor ruimtelijke en architecturale ontwikkelingen in onze regio en zorg draagt voor een gezonde ecologie van de architecten.”

Wat bij zowat alle sprekers terugkeerde is dat de bouwmeester om dat alles te realiseren en om draagvlak te creëren allianties moet smeden met alle actoren in het veld.  


Bouwmeester is geen superman

Voor Michiel Dehaene kan een bouwmeester niet alles doen en is het van belang om in de huidige bestuurlijke drukte de rol van de bouwmeester scherp te bepalen. Voor Dehaene moet de bouwmeester in al die opgaves thematisch kiezen en wat hem betreft moet de nadruk op het woonvraagstuk liggen. “We zijn dringend toe aan een nieuw woonmodel”, zo zei hij. “Dit is de werf bij uitstek waar de bouwmeester een verbindende rol kan spelen tussen woonbeleid, stedenbeleid, sociaal beleid, mobiliteit, …”
 

"De bouwmeester is de luis in de pels - of champignon in de ondergrondse parkeergarage – van de Vlaamse overheid.”


Die thematische keuze was ook de wens van Bart Casier. “Een bouwmeester is geen superman”, zei hij. “Fundamenteel blijft goed opdrachtgeverschap en begeleiding is hierin essentieel. De basisambitie is de kwaliteit van de ruimte, niet meer alleen van de architectuur. Dat betekent dat de bouwmeester meedenkt over het beleid en de luis in de pels is - of champignon in de ondergrondse parkeergarage – van de Vlaamse overheid.”


Aandacht voor lokale niveau

Het belang van een lokale gebiedsgerichte werking werd door meerdere sprekers benadrukt. Voor Véronique Claessens schuilt de belangrijkste meerwaarde van de bouwmeester in de begeleiding van lokale opdrachtgevers in hoe om te gaan met de maatschappelijke uitdagingen in hun stad of gemeente. Net als een aantal andere panelleden was zij vragende partij voor een instrumentarium dat de samenwerking tussen de overheid en de private sector, en ook tussen de overheid en de burger, regelt. “Want een stad wordt lang niet alleen door de overheid gemaakt”, aldus Claessens.

Gents stadsbouwmeester Peter Vanden Abeele trad die stelling bij: “In Gent is de publieke architectuurproductie ongeveer 1 % van wat er in de stad gerealiseerd wordt. Dat het publiek domein voornamelijk voortkomt uit publiek opdrachtgeverschap is een grove misvatting. Het openbaar domein wordt ook heel vaak door private opdrachtgevers vormgegeven. We zoeken in Gent naar tactieken om de private sector te betrekken en het verbaast mij dat we hier het warm water nog moeten uitvinden. Daar kan de Vlaams Bouwmeester de lokale besturen bij helpen. Vandaag spelen we vanuit de kwaliteitskamer vooral keeper, om te vermijden dat er slecht gescoord wordt, en dat is een vervelende rol.”

 

Voetbalmetafoor

De voetbalmetafoor werd erbij gehaald door Dirk Somers van Bovenbouw Architectuur. Hij tekende een voetbalveld om aan te tonen dat architecten zich vandaag vooral in het doelgebied situeren om zoveel mogelijk te kunnen scoren: “Zoals elke voetbaltrainer zegt, moeten we leren om meer te bewegen en voor een stuk ook de rol van middenvelder op te nemen”, aldus Somers. Hij wees verder op het nut van proliferatie. Volgens hem is er beter een bouwmeester te veel dan te weinig.  

Voor Marc Santens is het aan de bouwmeester om het kader scheppen voor de ommezwaai van het vandaag in Vlaanderen dominante vestigingsdenken naar een nomadisch denken over onze toekomstige huisvesting. “Steden zullen geen migrantenpolen zijn maar nomadenpolen. De collectieve ruimte in onze steden is daarin cruciaal. Deze moet een oase bieden voor wie langskomt en terug weggaat.” Sofie De Caigny plaatste daar een aantal pragmatische bedenkingen bij. Zij wees op de uitslag van de verkiezingen: “In de maatschappij leven vandaag ook heel andere ideeën die mee zullen gaan bepalen hoe de publieke overheid zal ontwikkelen. De vraag is wat de houding van de bouwmeester daarin moet zijn: moet je als bouwmeester ingaan tegen een bepaalde stroom of moet je net een bruggenbouwer zijn?” Volgens haar is de weg vooruit het goede voorbeeld geven aan de hand van ontwerpmatig onderzoek, goede instrumenten, …


BOUWmeester

Voor Peter Swinnen is een bouwmeester zo sterk als zijn instrumenten. Hij pleitte voor het maximaliseren van hun effecten, die uiteindelijk moeten leiden tot architectuur, wat vandaag niet altijd gebeurt. “De bouwmeester is geen superman”, zo zei ook Swinnen. “Zijn taakstelling is toch nog altijd om concrete, goede architectuurprojecten voort te brengen. Dat hoeft niet bouwen pur sang te zijn. Tegelijk voel ik een grote weerstand bij mezelf als bouwen plots verdacht wordt. De taak van de bouwmeester bestaat erin om keer op keer goede voorbeeldprojecten aan te brengen. Tegelijk moet een bouwmeester ook communiceren naar een groot publiek. Er zijn tal van goede voorbeelden maar ze zijn onvoldoende zichtbaar bij het grote publiek.”

 

"Een bouwmeester is in de eerste plaats de meester van het bouwen, en geen landschapsmeester"


Ook voor André Loeckx is de bouwmeester in de eerste plaats de meester van het bouwen, en geen landschapsmeester. “Transversaal, zeker, verbreden, zeker, maar je mag de kerntaak daarbij niet verlaten en dat is architectuur en bouwen. Voor mij ligt het bouwmeesterschap bij het verbinden van architectuur met de vier grote maatschappelijke kwesties: het woonvraagstuk, het gelijkheids-, democratie- en identiteitsvraagstuk.” Verder betreurt Loeckx dat te weinig instrumenten leiden tot de spreekwoordelijke schop in de grond.

Sylvie Van Damme ging hier tegenin en benadrukte het belang van visievorming door het Team Bouwmeester. “Een bouwmeester moet bepaalde maatschappelijke kwesties heel sterk agenderen. In dat opzicht ben ik een beetje verbaasd over de discussie rond de thema’s. We weten vandaag niet wat hét thema zal zijn voor de komende twintig jaar. Dat hangt af van de ambitie van de bouwmeester zelf, maar dat moet en zal vooral ook komen vanuit de maatschappij, vanuit wat wij allemaal voelen.”

Wivina Demeester is dan weer het idee van het clonen van de bouwmeester erg genegen. Voor haar is de studie van de lokale gemeenschap een bijzonder belangrijke uitdaging voor de toekomstige bouwmeester. “Ook ik koppel daaraan – willens nillens - de samenwerking met de private sector, al dient dit op een heel strikte manier te gebeuren.”

 

“Hoe goed onze architectuur intussen ook geworden is, zo slecht is onze ruimtelijke ordening." 

 

De olifant in de kamer

Huidig bouwmeester Leo Van Broeck mocht het debat besluiten. Hij hoorde een consistent verhaal waarbij de olifant in de kamer werd gestreeld zonder hem te benoemen: “Hoe goed onze architectuur intussen ook geworden is, zo slecht is onze ruimtelijke ordening.  Goede architectuur is cruciaal, net zoals het bij een plant cruciaal is dat ze kan groeien. Maar die groei hangt af van het DNA, van de regelgeving, van zonlicht en water. In welke condities komt architectuur tot stand? Ruimtelijk beleid is in dat opzicht een van de belangrijkste sleutels.” Hij stelde verder dat een bouwmeester kapot gaat aan een immer groeiende toolbox van instrumenten, maar zolang de instrumenten wervend zijn en een hefboom kunnen vormen, blijven ze essentieel. “De uitkomst moet niet alleen architectuur en bouwen zijn, maar ook en vooral beter ruimtelijk beleid”, besloot Van Broeck.