Doorzoek volledige site
06 november 2019

Juliaan Lampens (1926-2019), de brute architect-edelsmid

De Onze-Lieve-Vrouw-van-Kerselare (1961-1966) in Edelare, een bedevaartskapel nabij Oudenaarde is, een van Lampens' meesterwerken.

Juliaan Lampens is op 6 november op 93-jarige leeftijd overleden. Met zijn brute constructies uit beton ontwikkelde de in De Pinte geboren architect een eigen en unieke stijl, die aansloot bij die van Le Corbusier en Mies van der Rohe. Maar ook de Scandinavische en Japanse architectuur inspireerden hem. Het leverde hem een plekje op in het boek Eren & Citeren van onze huiscolumnist Filip Canfyn, die nu in een in memorium afscheid neemt van de modernistische architect.

Je kan buiten niet van binnen scheiden.
Architectuur is als een schelp,
als een huid, waarin we leven.
” (J.L.)

“Het gaat over eerlijkheid.
Eerlijkheid in het materiaalgebruik.
Het materiaal zichzelf laten zijn.
Door zichzelf.
Door het te gebruiken voor wat het bedoeld was.
Daarom moet je geen bogen in beton maken.”
(J.L.)

“De eerste tien jaar ben je een architectuurstudent,
daarna blijf je een studerende architect
voor de rest van je leven.”
(J.L.)

Kan beton subtiel zijn? Kan beton tactiel zijn? Kan beton poëtisch zijn? Ja, driewerf ja, en Juliaan Lampens (1926-1919) bewijst dit volhandig in de jaren zestig en zeventig van vorige eeuw. Meer nog, niemand kan beter dan Lampens omgaan met een open plan binnen een brutalistische huid. Met ‘brutalistisch’ als een wat ongelukkige en oneerbiedige term voor zijn pure finesse. Geef Lampens ruw beton, naakt hout en veelzijdig glas en hij ontwerpt, met het vakmanschap van een tot edelsmid omgeschoolde architect, een krachtig juweel met een unieke legering van zijn basismaterialen, een driedimensionaal juweel, waarin het bovendien ruimtelijk goed toeven is. Hij gaat immers voor de grenzeloze ruimte, tegen de bijna klassieke opvatting in dat architectuur nu net ruimten moet afbakenen, dat het inkaderen van ruimte nu net de essentie van architectuur uitmaakt. Hij heeft misschien Ayn Rand gelezen: zij schrijft immers, ergens in een zeer goed boek, dat architecten geen muren moeten optrekken maar leegten moeten maken, waarin bewogen kan worden. En hij wil vooral niet opvallen: zijn met een buitenhuid ingepakte leegten moeten wegglijden in hun omgeving, als een adder, oplossen in de natuur, als een kameleon.
 

"Lampens ziet het licht wanneer hij verliefd wordt op oorlogsbunkers, waarin hij meer merkt dan gruwelijke getuigen, en bovenal op Expo 58, waar een nieuwe boeiende wereld voor hem opengaat. Het mag nu stoppen met het conventionele gedoe, het avantgardistische pad moet bewandeld worden."


Lampens ziet het licht wanneer hij verliefd wordt op oorlogsbunkers, waarin hij meer merkt dan gruwelijke getuigen, en bovenal op Expo 58, waar een nieuwe boeiende wereld voor hem opengaat. Het mag nu stoppen met het conventionele gedoe, het avantgardistische pad moet bewandeld worden. Hij vindt maar weinig geestesgenoten voor deze radicale stap en al zeker geen klanten. Om zijn grote gelijk toch te bewijzen bouwt hij dan maar zijn eigen woning met kantoor (1960) in Eke als visitekaartje en introductiebrief: zijn ontwerp staat fier recht zonder één dragende muur, op die van een carport na. Zijn huiswerk zal hem evenwel maar langzaamaan wat opdrachtgevers opleveren.

Eerst moet hij zijn meesterwerk maken, Onze-Lieve-Vrouw-van-Kerselare (1961-1966) in Edelare, een bedevaartskapel nabij Oudenaarde. Lampens wint een internationale ontwerpwedstrijd, uitgerekend voor notoir kerkenbouwer Marc Dessauvage, met een sculptuur, dat uitgepuurd en uitgebeend, sober en sterk Streuvels, Permeke en Zadkine architecturaal verenigt. Hier wordt zichtbeton bevorderd tot kunst (terwijl vandaag zichtbeton in de praktijk meestal verwordt tot spijtig genoeg zichtbaar blijvend beton). Dit keihard bewijs van radicale beeldingskracht raakt niet geklasseerd maar wel in verval. Betonerosie, koudebruggen en een tekort aan liefde vervormen het gebedsoord tot een pijnlijk wrak, dat door de samenleving onterfd lijkt. Als hier al geen berouw meer getoond wordt …

Lampens ontwerpt nog twee merkwaardige woningen: het Huis Vandenhaute (1967) in Huise en het Huis Van Wassenhove (1970-1974) in Sint-Martens-Latem, twee compromisloze, volledig open ruimten binnen een harde maar bescheiden schil. Hij slaagt er telkens in conform te blijven met de vigerende conservatieve stedenbouwkundige voorschriften maar toch onverbiddelijk te breken met elk conformisme. Wat voor gluurders barse bunkers lijken, wordt vanuit zijn vingers een spannend doorlopend woonvolume voor gelukkige gebruikers.
 

"Wat voor gluurders barse bunkers lijken, wordt vanuit zijn vingers een spannend doorlopend woonvolume voor gelukkige gebruikers."


De rest van deze hommage mag eerbiedige stilte blijven, als een plechtig gebed, opdat er nooit een vervaldatum op Juliaan Lampens zou gezet worden.