Doorzoek volledige site
05 juni 2013 | JAN DANEELS

“Het overlegmodel sputtert en publieke-private-samenwerking is geen wonderformule”

Alfredo De Gregorio, met zijn bureau De Gregorio & partners actief in de hernieuwing van de Hasseltse Kanaalkom, houdt niet van tergend lang overleg. In een interview met architectura legt hij uit hoe stedenbouw gebaat is met dynamiek, met snelheid. “Ik hoop dat de dag snel daar is dat het overdreven overlegmodel ten einde is.”
Alfredo De Gregorio, met zijn bureau De Gregorio & partners actief in de hernieuwing van de Hasseltse Kanaalkom, houdt niet van tergend lang overleg. In een interview met architectura legt hij uit hoe stedenbouw gebaat is met dynamiek, met snelheid. “Ik hoop dat de dag snel daar is dat het overdreven overlegmodel ten einde is.”




De Gregorio stelt vast dat op het beleidsniveau de laatste jaren een cultuur is ontstaan waarbij overkoepelende visies op stedenbouw en architectuur compleet zijn verloren gegaan. Onder meer een doorgedreven versnippering van politieke bevoegdheden vreet volgens De Gregorio aan een efficiënt stedenbouwkundig beleid. Alfredo De Gregorio: “Het beleid moet beslissingen nemen maar doet vandaag niet veel meer dan uitentreuren overleggen over van alles en nog wat,” zegt de architect. “Het beleid laat zich te veel leiden door een kluwen van regeltjes, misschien uit angst om slechte beslissingen te nemen. Maar niet beslissen is volgens mij zelfs nog onzaliger dan slecht beslissen. Slechte beslissingen horen er trouwens gewoon bij. Dat zit in onze DNA, in ons menselijk leerproces. En slechte beslissingen kunnen ook tot positieve dingen leiden. Neem nu de Champs-Elysées. Die boulevard werd in de negentiende eeuw aangelegd om het leger zo snel mogelijk door Parijs in te krijgen als het gepeupel weer eens in opstand kwam. Een erg ‘slecht’ initiatief, maar kijk nu eens naar de uitstraling van die boulevard vandaag. De Braziliaanse architect en politicus Jaime Lerner had gelijk toen hij zei: ‘in stedenbouw is er maar één ding belangrijk en dat is snelheid.’ Hij heeft er daarna mobiliteit en duurzaamheid aan toegevoegd. De nagel op de kop.”


Die snelheid missen we vandaag?

De Gregorio: “Zeker en vast. Het is voor steden beter om en cours de route fouten te maken en daarvan te leren dan om in dure overlegstructuren te blijven hangen.”


Wantrouwen en verschillende belangen


Zorgen constructies als de publiek-private samenwerking er toch niet voor dat overheid en privé-investeerders bij het opzetten van een bouwproject snel en zeer direct met elkaar kunnen overleggen? En dat zulk overleg tot meer vertrouwen leidt?
De Gregorio: “Het overleg duurt meestal erg lang. Het vervelende is dat het niet eens bewust gebeurt. Een dergelijke complexe onderhandelingsprocedure – want dat is in feite wat het is – vraagt gewoon veel tijd. En meestal zijn beide partijen gewoon niet georganiseerd op snelheid. Die onderhandelingen leiden ook niet echt tot meer vertrouwen tussen beide partijen. De onderhandelingen worden meer gevoerd met de bedoeling om de andere partij ‘in het bad te trekken’: hem deel te maken van je problemen. Daarenboven kan je pas goed onderhandelen als je de specifieke noden en problemen van de andere partij goed kent. Dat is voor zowel de private als de openbare partij haast ondoenbaar. In praktijk leidt dat gewoon tot extra kosten voor de overheid, of te slechte condities voor de private partij. En de kosten van dergelijk onderhandelingstraject zijn voor de betrokken partijen gewoon overdreven hoog.”

Maar concreet worden door de aanwezigheid van de overheid binnen een PPS toch sneller vergunningen toegekend en kunnen contracten binnen de budgetperiode worden afgerond? Wordt er dan volgens u op geen enkele manier korter op de bal gespeeld?
De Gregorio: “Ook de extra snelheid van de vergunningen moet je zwaar relativeren. De stedelijke administraties zijn niet echt georganiseerd om die snelheid mogelijk te maken. Daarenboven zijn er nog hogere overheden, die terecht hun zeg moeten hebben. De Vlaamse regering probeert daar iets aan te doen, maar we zijn er nog lang niet. En korter op de bal spelen is erg moeilijk tussen partijen die toch erg ver uit mekaar liggen. De belangen van de overheid en die van de private partij zijn daarvoor ook te verschillend. De overheid is door haar maatschappelijke opdracht verplicht om op lange termijn te denken en te werken. Al wat zij investeert in een project moet bij wijze van spreken over 100 jaar nog renderen. Bij privépartners is het net omgekeerd. Investeringen moeten voor de aandeelhouders uiteraard sneller opbrengen. Dat zorgt ervoor dat een overheid nooit grote risico’s wil of mag nemen. Ik ben ervan overtuigd dat een publiek-private samenwerking uiteindelijk maar zelden echt nodig is. Als er bijvoorbeeld een duidelijke band is tussen investering-exploitatie-onderhoud. Dan kan de private partij een reële meerwaarde hebben. Maar in praktijk komt het er dikwijls op neer dat de overheid voor haar grond een hogere prijs hoopt te bedingen. Dan kan je het net zo goed publiek te koop stellen.


Verschraalde rol van de architect

Wat kan er in een PPS volgens u concreet mislopen voor de betrokken architectenbureaus?

De Gregorio: “Het beroep van de architect wordt stilaan uitgehold. De technische spelers in het PPS-team drukken dikwijls hun mening door als het op ‘technische beslissingen’ aankomt. Terwijl wij in een normaal project de aannemers opleggen wat ze moeten doen, is het in een PPS-formule dikwijls andersom. Het hangt dan van de ethische houding van alle partners af om respectvol met mekaar om te gaan. Maar hoewel een architect alle facetten van het ontwikkelen en bouwen in zijn vingers heeft, mag hij meestal niet meedoen in de aandeelhouderstructuur van de private partij. Ook al omdat de Orde van architecten dit strikt genomen niet toelaat. Kortom: we zijn wel degelijk een onmisbare schakel in de PPS-ketting, maar we worden niet opgenomen in het partnership. We blijven dus als het ware in loondienst werken. Ik ben van oordeel dat dit in een PPS-verhaal net anders moet. Nochtans ben ik ervan overtuigd dat architecten, zeker sinds ze zich in vennootschappen mogen organiseren en dus eigen vermogen opbouwen, zich ooit in de ontwikkelingswereld zullen en zelfs moeten begeven. Als PPS de standaard wordt, vrees ik voor de richting waarnaar ons beroep evolueert. We zullen zien of architecten in staat zullen zijn om een reëel antwoord te formuleren en hun rechtmatige plaats in het bouwgebeuren kunnen en willen opeisen.

Is er een oplossing?
De Gregorio:“Er zijn twee mogelijke pistes: ofwel zullen grote ontwikkelaars in eerste instantie beginnen met de ‘verticale integratie’ van onze technische taken, het aanbestedingsdossier en het toezicht, waardoor wij louter herleid worden tot het maken van een mooi plaatje, en ons beroep werkelijk wordt uitgehold. Ofwel – en ik hoop dat het in die richting zal evolueren – is de oplossing dat wij als architectenbureau ook zelf zullen ontwikkelen en mogen ‘zaken doen’ zoals alle andere zakenmensen. Volgens de Orde mag het dus niet, maar het is mijns inziens misschien de enige garantie om in deze steeds vernieuwende wereld als architect nog iets te betekenen.”

In onderstaand filmpje legt Alfredo De Gregorio voor de camera van Architectura uit wat hem en zijn bureau stoort in PPS-formules.