Doorzoek volledige site
23 februari 2021 | JOHAN RUTGEERTS

DWARSBEUK (Johan Rutgeerts): Flexibele stedenbouw

Illustratie | Wikimedia Commons / Dawid Cieslik

In deze tweede aflevering van DWARSBEUK breekt onze nieuwe columnist Johan Rutgeerts een lans voor cohousingprojecten. Helaas vormen de gemeentelijke stedenbouwkundige reglementen vaak een belemmering voor dergelijke projecten en daar moet voor Johan Rutgeerts dringend iets aan gedaan worden.

Gemeentelijke stedenbouwkundige reglementen hebben iets dystopisch. Ze zijn goed bedoeld, vaak om erger te voorkomen en tegelijk zijn ze een belemmering voor gunstige evoluties.

Dat is niet enkel met stedenbouwkundige reglementen zo; reglementen hebben meestal maar een beperkte houdbaarheidsdatum. Ze zijn meestal een grote gemene deler of een klein gemeen veelvoud van wat men denkt dat voortaan de norm moet zijn. 

Gemeenten gaan ervan uit dat onze gebouwde omgeving een genormeerde omgeving moet zijn. Voor normale mensen met normale gezinnen. Doe eens normaal zeg.
Maar wat heet een normaal gezin te zijn? De meeste normale gezinnen zijn maar normaal voor een redelijk beperkte periode in hun leven.

Ik zie jonge mensen snakken naar een eigen woonstek maar helaas, zo onbereikbaar duur, zoveel een luchtkasteel. Thuis waren ze nog één en ander gewoon, een huis met een eigen kamer, maar als alleenstaande een appartementje huren is voor velen een droom te ver. Dan maar met twee, drie of vier een ruimer appartement huren met elk een eigen kamer en de rest allemaal gemeenschappelijk. Het komt meer en meer voor maar veel gelegenheid tot privacy biedt deze consensus niet en lang niet alle situaties zijn even grappig als in de Amerikaanse sitcom Friends.

Voor andere woonvormen voor singles, voor partners die uit elkaar gaan, voor ouderen die alleen te komen staan, zijn de beschikbare woongelegenheden vaak niet echt waar ze naar verlangen. Meer en meer mensen zoeken naar een woonvorm waar ze over voldoende privacy kunnen beschikken en tegelijk iets gemeenschappelijks met hun medebewoners kunnen doen.

Cohousing, vaak gestart als een bottom-up project, wordt ook door de projectmarkt meer en meer gezien als een mogelijke nieuwe woonvorm waarvoor een steeds grotere groep kandidaten zich aandienen. Het gaat van alleenstaande jongeren over jonge gezinnen, oudere gezinnen of gepensioneerden die huiveren van de beelden van begeleid wonen en woonzorgcentra die we het laatste jaar ten overvloede hebben gezien. Ze willen liever leven tussen en naast anderen, contact met elkaar hebben en, waar het kan, voor elkaar zorgen of laten zorgen. Heel wat kosten kunnen gemeenschappelijk gedragen worden zoals poetshulp of boodschappen doen. Een moestuintje, een petanquebaan, een logeerkamer waar het nichtje uit Nederland een weekend lang mag logeren, een grote eetplaats voor een feestje, een fietsberging met een herstelbank, een zitbank waar verhalen verteld worden.

Het klassieke tweekamerappartement met een oppervlakte tussen de 80 en 95 m2 van de traditionele projectontwikkelaars heeft niet veel toekomst meer in onze agglomeraties. Hier botst het vaak met stedelijke reglementen, met normen inzake minimale grootte van de woonunits, met normen inzake aantal autostaanplaatsen.

Ik ken gemeenten waar men nog steeds de norm hanteert van 1,6 tot 1,8 autostaanplaatsen per unit. Alsof elk gezin twee auto’s moet hebben. In veel cohousingprojecten zitten vaak singles die helemaal geen auto willen of veel liever een deelauto als basisvoorziening, eigendom van de cohousinggemeenschap. Autobezit in dicht bebouwde gebieden is stilaan achterhaald, stelt een uitgebreid artikel in De Standaard van zaterdag 20 februari.

Goed doordachte woonunits hebben vaak voldoende aan 50 m2 als er daarnaast ook een ruimte is waar gezamenlijk wat meer mag. Een bureautje waar aan thuiswerken kan gedaan worden, de logeerkamer waar de kinderen deze week bij mama zijn, volgende week terug bij papa. Dat kan in veel gemeenten niet want in hun stedenbouwkundige reglementen lees ik dat woonunits minstens 80 m2 of meer moeten zijn. Die kleine units in cohousing worden automatisch geweerd.

Niet mogelijk zegt u? In de Scandinavische landen zijn dergelijke projecten reeds lang op grote professionele schaal gerealiseerd.

De moedige ontwikkelaars die in Vlaanderen cohousing willen realiseren zitten vaak geklemd in de gemeentelijke stedenbouwkundige duimschroeven, stuiten op een njet van omgevingsambtenaren en hun steeds volgzamere bevoegde schepenen. Stedenbouwkundige reglementen worden beschouwd als oekazes waar niet van af te wijken valt. Ze zijn de onontkoombare voorwaarden om tot een vergunning te komen, zelfs al heeft het voorgestelde project stedenbouwkundige en maatschappelijke meerwaarden die vooruitlopen op het huidige gereglementeerde woonkader.

In deze casussen zou het een zege zijn mochten de GECORO’s hun rol opnemen waarvoor ze ingesteld zijn: los van politieke overwegingen maar met de nodige kennis van de situatie ter plaatse en gegronde ruimtelijke overwegingen, gefundeerde adviezen uitbrengen die ervoor zorgen dat de noodzakelijke maatschappelijke evoluties de trein niet missen.