Doorzoek volledige site
18 juni 2019 | FILIP CANFYN

Steen & Been: Stadsvluchtje

Onze huiscolumnist Filip Canfyn heeft weer zijn periodieke stadsvlucht achter de rug: tijdens het weekend van de vurige tongen verlaat hij zijn binnenstedelijke flat om twee nachten te kùnnen slapen.

Mijn woonplaats poogt elk jaar om minstens drie dagen haar provinciaal niveau te ontstijgen met een vreemde maar in bestuurlijke kringen populaire methode: van de stad een huurling maken, die moet optreden in het colosseum van dagtoerisme, shopping, entertainment, leisure en commerce. Alsof men de Gentse Feesten wil overtroeven. Letterlijk elk plein en bijna elke straat in het centrum worden bezet door kramen, foodtrucks, popups, terrasjes en vooral podia voor alles en nog wat. Van ’s morgens vroeg tot diep in de nacht neemt generaal Decibel de stad over: keiluid, continu en overal. Drie dagen, twee nachten en om vijf uur ’s morgens komen de bezem- en vuilniswagens de schade opmeten en de bewoners wekken. Mijn geliefde en ik, die pal in het centrum wonen, middenin die pleinen van plezier, ontvluchten dan die feeststad, waar de klant blijkbaar zonnekoning is. Nee, we gaan niet naar de buiten, we zijn niet gek. We slaan onze tenten op in een andere stad. Rotterdam dit keer.
 

"Ik ken twee constanten in mijn leven: ik woon in een stad en ik pleit voor de stad. Toch wordt het mij ook te veel, de huidige manier, waarop met de stad omgegaan wordt."


In het Museumpark aldaar, tussen het Depot van MVDRV en de Kunsthal van Koolhaas, wordt op Pinksterzondag een eet- en drinkfestival gehouden. Aan de ingang hangt een bord met afspraken om overlast te vermijden. De organisatoren beloven van hun kant alvast géén muziek te spelen. Brugge wil intussen de toeristische publiciteit en het aantal cruiseschepen beperken om de kolonisering door dagjesmensen (6 miljoen per jaar, die raprap de binnenstad opeisen) in te tomen. In vele andere steden worden vragen gesteld bij de nieuwe vorm van gentrificatie, in casu, de inpalming van publieke ruimte door ‘cultuur’ en horeca, die het bestaan van bewoners in de stad belast, verstoort, bijna ontkent.

Ik ken twee constanten in mijn leven: ik woon in een stad en ik pleit voor de stad. Toch wordt het mij ook te veel, de huidige manier, waarop met de stad omgegaan wordt. Op zijn minst moet vastgesteld worden dat het evenwicht tussen levendigheid en leefbaarheid zoek raakt. Stadssocioloog Styn Oosterlynck heeft gelijk als hij stelt dat, wanneer een stad enkel dient om te wonen, een stad gewoon een verkaveling wordt, maar deze gevatte oneliner mag geen excuus worden. Geen excuus voor een verregaande verwaarlozing van de woonfunctie voor iedereen, geen excuus voor een grotere investering in de zogenaamde wow-factor van een stad in vergelijking met de inspanningen voor bijvoorbeeld betaalbare huurwoningen, comfort voor de zwakste straatgebruikers, gezonde rust en kalmte. Mijn geliefde en ik zoeken intussen voor alle zekerheid een andere stad. Voor Pinksteren 2020.