Doorzoek volledige site
29 april 2021 | JOHAN RUTGEERTS

DWARSBEUK. Vaste tarieven voor stagiairs

Illustratie | Pexels

In zijn nieuwe DWARSBEUK neemt architect-urbanist Johan Rutgeerts het statuut van stagiairs, de minimumbarema’s en de rol van de Orde van Architecten in deze kwestie op de korrel. 

Sinds enkele jaren heeft de Vlaamse Raad van de Orde van Architecten beslist om de vergoedingen voor stagiairs vast te leggen. Dit moet beschouwd worden als een minimale vergoeding die in het stagecontract moet opgenomen zijn, opdat het geldig zou zijn. Ik ken heel wat architecten die dat een eigenaardige deontologische verplichting vinden. 

De orde steunt op art 12 van haar deontologie dat zegt “Naargelang het statuut wordt de architect vergoed door honoraria, vacaties, wedde of bezoldigingen die hem middelen van bestaan kunnen verschaffen en die hem toelaten zijn beroep uit te oefenen in eer en waardigheid.”

Velen vinden het gortig dat de Orde die barema’s wel oplegt voor de stagiairs maar er niet in slaagt om, zoals ze zelf stelt, redelijke erelonen af te dwingen bij de overheden of bij het organiseren van wedstrijden. We kunnen veel begrip opbrengen voor die teleurstelling.

Niettegenstaande het reglement van beroepsplichten stelt dat de Nationale Raad referentieschalen van wedden en bezoldigingen voorstelt – iets wat ze tot op heden nog nooit gedaan heeft, is de Orde niet in staat eenzelfde regeling uit te werken voor dat leger van freelancers dat de bureaus draaiende houdt.

De Orde laat zich zoals we haar kennen niet vlug uit het lood slaan en stelt dat die minimale stagevergoedingen een eerste stap zijn naar het vragen van voldoende ereloon om de medewerkers behoorlijk te kunnen betalen. Veel verder dan een eervolle en waardige vergoeding voor de stagiairs zijn ze nog niet geraakt. De voorzitters van de Orde gloeien van trots als ze kunnen zeggen dat de eerbiedwaardige Raad van Beroep haar reeds gelijk gegeven heeft in haar eis tot het verplicht maken van deze minimale vergoeding. Maar met permissie gezegd: die Raad van Beroep, dat is geen arbeidsrechtbank waar dergelijke geschillen normaal thuishoren. Ik zou wel eens willen horen wat het Grondwettelijk Hof daarvan denkt.

De enige macht die de Orde hier heeft is haar vastberadenheid om te weigeren contracten goed te keuren waarin de minimale vergoeding niet in is opgenomen. De stage wordt niet erkend als de vergoedingen er niet in zijn opgenomen. Basta.

Eén van de problemen is dat de Orde nog nooit, echt nooit, een duidelijk standpunt ingenomen heeft over wat een stage nu eigenlijk is. Is dat voortgezet onderwijs? Is dat een verplicht tussenstapje naar een eigen praktijk? Is dat de woestijntocht naar een toekomstige job op een architectenbureau? Is dat de garantie dat enkel volwaardige architecten op de tabel zullen schitteren?

Welk statuut geeft men dan eigenlijk aan zo iemand? Is dat een zelfstandige? Is dat een praktijk-statuut ? Is dat een pseudo-bezoldigde? Waarom mag die dan wel of niet als enige in Europa reeds vanaf dag één eigen werk aanvaarden, oh ja, als zijn stagemeester daarmee akkoord gaat? Klinkt dat niet een beetje als een onderhorige tegenover zijn meerdere?

Sinds haar oprichting in 1962 is het landschap van zowel de opleiding als dat van de praktijkuitoefening toch al redelijk geëvolueerd. En toch blijft die stage in een onduidelijke fase steken tussen de opleiding en de echte beroepsuitoefening.

We hebben reeds lang gepleit voor het opstarten van een echt en waardig statuut voor stagiairs - in een latere fase voor de freelancers - maar het komt er maar niet van omdat men die knoop niet wil doorhakken of een stagiair of een freelancer al dan niet eigen werk mag aanvaarden. Dat is de reden waarom er zoveel wrevel is over die minimumbarema’s.

Velen vinden het tevens onkies dat er geen rekening gehouden wordt met de kostprijs van het opleiden van een pas afgestudeerde tot een volwaardige architect.  

In het bedrijfsleven ligt dat anders. Als men pas afgestudeerden aanwerft is dat met de bedoeling om te investeren in nieuwe krachten die op termijn zullen renderen. Bij stagiairs ligt dat anders. Gaan we die opleiden om na zes maanden of twee jaar hun eigen weg te gaan? Of gaan we die opleiden om bij ons in het bedrijf te blijven maar dan met uitsluiting van eigen werk en een non-concurrentiebeding? Stagemeesters hoeven zichzelf toch geen toekomstige concurrentie aan te doen?

Het is die onduidelijkheid die de Orde eerst moet wegwerken alvorens ze de stap zet naar een èn een statuut èn een markconforme vergoeding.

Over de grootte van die zogenaamde marktconforme vergoeding moeten we het trouwens nog een andere keer hebben.