De opdracht op het Theologisch Centrum is een complexe balansoefening tussen restauratie, verdichting en landschap. Paul Felix ontwierp hier in 1968 bewust geen massief blok, maar een "open" instelling van losse paviljoenen in het groen. Hij creëerde een uniek kloosterconcept dat geborgenheid verzoent met openheid, waarbij de wandeling tussen de gebouwen essentieel is. Onze opdracht was het transformeren van vier brutalistische paviljoenen (met kamers als kloostercellen) naar de huidige normen, én het toevoegen van twee nieuwe gebouwen met studentenkamers. Samen met Callebaut Architecten en landschapsarchitect Deroose werkte HUB een masterplan uit dat Felix' originele intenties respecteert en versterkt. Doel: leefbaarheid verhogen en de interactie met het landschap weer in ere herstellen.
De hoofduitdaging was verdichten zonder de open, harmonieuze paviljoenstructuur van Felix te doorbreken. We vertrokken vanuit zijn "constructieve eerlijkheid": de historische structuur primeert, nieuw sanitair kwam als lichte 'plug-ins'. Een tweede uitdaging was bouwen in een fragiel landschap. Daarom is gebouw F ontworpen als optopping op een bestaande garage, en gebouw E ingebed langs een bomendreef. Waar de circulatie in de oorspronkelijke paviljoenen intern verloopt, keren de nieuwe toevoegingen dit principe bewust om. De circulatie wordt geëxternaliseerd via collectieve passerelles, wat de relatie tussen het studentenleven en de omringende natuur fundamenteel versterkt en een gediversifieerd woonaanbod creëert.
De basis van de duurzaamheid ligt in circulariteit: het behouden van de betonnen structuren (het duurzaamste gebouw is datgene wat je niet afbreekt). De beschermde paviljoenen kregen een grondige energierenovatie (dakisolatie, hoogperformante beglazing, lokaal herstel van buitenschrijnwerk) zónder afbreuk te doen aan hun kenmerkende brutalistische uitstraling. Klimaatadaptatie vormt een tweede pijler. De site werd maximaal onthard. Hemelwater infiltreert lokaal via nieuw aangelegde wadi's met ruime buffercapaciteit. Tot slot is volop ingezet op groendaken, zonnepanelen op gebouw F, en actieve stimulatie van duurzame mobiliteit via de inrichting van sterk opgewaardeerde fietsenstallingen en vlotte verbindingen voor traag verkeer doorheen het herstelde landschap.
Dit project bewijst hoe we kwetsbaar naoorlogs erfgoed succesvol kunnen klaarmaken voor de 21ste eeuw. Het is een voorbeeld van een integrale aanpak waarbij architectuur, landschap en erfgoedzorg versmelten. De nieuwe gebouwen vormen geen letterlijke kopie, maar een hedendaags eerbetoon aan Felix’ constructieve eerlijkheid. Waar het brutalisme soms hard is, voegt het toegevoegde hout warmte toe. Bovenal is Felix' oorspronkelijke ambitie – de trage wandeling door de natuur en de ontmoeting tussen gebouwen – geheractiveerd door het landschap te helen en de nieuwe architectuur naar buiten te richten. De site is getransformeerd tot een levendige campus. Het project toont aan dat inbreiding en erfgoedbehoud de sleutels zijn tot toekomstgericht wonen.