KRITISCHE MASSA. Dorplelijkheid (Leo Van Broeck)
Er is vanuit diverse hoeken al heel wat gezegd en geschreven over dorpelijkheid. Met goede bedoelingen: kijken waar je buiten de steden ook nog kan verdichten en dit qua architectuur, woonkwaliteit, sociale interactie en ontmoeting doen op een kwalitatieve manier. Maar dan houdt het heel snel op, omdat de lezing van de bestaande situatie op het platteland en in de dorpen heel selectief is, bol staat van nostalgie en wishful thinking, en – net als een druppel op een hete plaat – veel te weinig impact ambieert op de echt grote ruimtelijke uitdagingen en urgenties in Vlaanderen zoals natuurherstel, files en het enorme tekort aan sociale en betaalbare woningen.
Het dorp zou een langzamere overgang hebben tussen publiek en privaat? Bij mijn weten is in de rijwoningen van de meeste dorpen die overgang niet dikker dan de voordeur. Er zou in de dorpen meer kans zijn op ontmoeting? Studies in Vlaanderen tonen aan dat de eenzaamheid en de vergrijzing het hoogste zijn op het platteland. De jeugd woont in steden en in verkavelingen er rond: eerst en vooral Brussel, Mechelen, Antwerpen en Gent, en dan in iets mindere mate Kortrijk, Brugge, Leuven, Hasselt, en Genk. En als ik kijk naar stedelijke coöperatieve sociale woningbouw zoals Kalkbreite in Zurich of de Alt Erlaa hoogbouwwijk in de derde kroon rond Wenen, dan zie ik speelterreinen en groene parken, crèches en scholen op de site, zwembaden op het dak van sociale woningbouw, multigenerationeel wonen voor duizenden gezinnen, met jaarlijkse zeer hoge woonsatisfactie bij 95% van de bewoners. En dat vlakbij zeer goed openbaar vervoer en voorzieningen. Aan dergelijke stedelijkheid kan – qua ontmoeting - verpieterde dorpelijkheid in een anemisch gehucht een puntje zuigen.
Op plekken met een Mobiscore tussen 6 en 10 heb je toekomstbestendige nabijheid van goed openbaar vervoer, plus woonondersteunende diensten en voorzieningen. DAAR liggen sociale interactie en ontmoetingen voor het grijpen voor alle generaties. In het land met het record aan uren file per werknemer moeten mensen dichter bij openbaar vervoer en dichter bij hun werk gaan wonen. Mobiscores tussen 5 en 6 (circa 22% van de oppervlakte in Vlaanderen) kan je consolideren en duurzaam renoveren, maar zijn niet geschikt om nog te verdichten. En voor de allerlaagste Mobiscores tussen 3 & 5 (circa 43% van Vlaanderen) zou men de moed moeten hebben om – via gratis verplaatsbare bouwrechten inclusief salariswoning - te mikken op een uitdoofbeleid en omzetting in natuur. Het feit dat men net in die slechtst gelegen plekken van Vlaanderen (bijv. Doel en Klein Rusland in Zelzate) in naam van dorpelijkheid totaal de foute kant uit fietst is onbegrijpelijk. Het vereeuwigen van Klein Rusland of Doel gebeurt best door één woning en/of ander relicten museaal authentiek te restaureren en door de figuur van het masterplan leesbaar te houden in een land-art natuurproject. De 16 sociale woningen in halfopen bebouwing in Lo-Reninge hebben een Mobiscore van 4,9 - inclusief een dubbel abonnement op de files. De volumes in lage dichtheid zijn geïnspireerd op de West-Vlaamse Polderschuren in gele baksteen. Als auto’s dorpelijk zouden ontworpen worden, dan zou men voor landelijk wonende automobilisten Tesla moeten maken die er uitzien als een hooiwagen. De ontmoeting vindt plaats – ik vindt dit niet uit - wanneer twee aangrenzende buren toevallig tegelijk toekomen of weggaan, want tussen de twee voordeuren staat een kolom met tabletten waar plantjes op kunnen gezet worden, waarover je dan kan praten.
De Europese opdracht van natuurherstel zal in ons land een stevige reductie van onze ruimtelijke footprint vergen. Niet alleen van landbouw, maar ook van de slechtst gelegen meest versnipperde en minst toekomstbestendige woningen. Hoe lager de Mobiscore, des te duurder de woningen zijn voor de overheid (de bakermat van files en salariswagens, van veel lopende km weg en infrastructuur per woning). Het is geen toeval dat thuiszorg in Vlaanderen 600,000 km per DAG rijdt (dat is 15 keer rond de aarde). Bij inwoners van het Brussels Gewest is er 1 verkeersdode per 100.000 inw/jaar; in Vlaanderen en Wallonië zijn dat er 5. En wanneer we alleen naar de verkavelingen en kleinste gehuchten kijken (met het minst goede openbaar vervoer) zijn het er 8. Er zit – net als aan verkavelingen - ook een dodelijk kantje aan dorpelijkheid, wanneer die niet selectief genoeg is waar ze wel en vooral waar ze niet toegepast wordt.
Het is raar dat je in toolboxen zo weinig echte tools vindt gebaseerd op data en feiten. Er zijn veel ontbreekwoorden: Mobiscore, biodiversiteit, V/T, minimale dichtheid voor een warmtenet, woningen per hectare, middelhoogbouw, thermische compactheid, km weg per wooneenheid, verdichten nabij openbaar vervoer, overheidskost per wooneenheid, etc. Dat in deze verhalen bijna alle voor handen zijnde data en kennis over dos en don’ts in stedenbouw, mobiliteit, landgebruik, uitstoot, energiegebruik, indirecte emissies, etc. niet aanwezig zijn, reduceert dorpelijkheid tot een peperdure nostalgische hobby voor modelbouwers.
Bovendien wordt er in voorbeeldprojecten bijna nooit een verdichting gerealiseerd die het verschil kan maken. Het is meestal laagbouw, en vaak – inclusief angst voor verandering – met ‘landelijke’ bovenverdiepingen met hellend dak, kwestie van zeker te zijn dat het daar slecht bemeubelbaar is en in de zomer veel te heet. Verappartementisering wordt afgeschilderd als een dorpsvreemde architectuur. Ze verkopen daar nochtans als zoete broodjes en zijn al sinds decennia manifest dorpseigen geworden. Vooral omdat de grootste kopersgroep jongbejaarden zijn, die op één niveau willen wonen en een lift willen. Niet leuk als je die dure lift slechts op 3 à 4 lagen kan afschrijven. Verappartementisering van grotere toekomstbestendige dorpen, liefst in een mix van laag- en middelhoogbouw (tot hoogstens 8 lagen) is zowat het beste wat je daar kan bouwen, voor zover het goede architectuur is in alle betekenissen van het woord, en ingebed in een blauwgroene ontharde publieke ruimte. Dorpelijkheid heeft de steun voor stevige verdichting verder doen afkalven en heeft de bouwshift geen deugd gedaan. Maar ik heb goede hoop, want de voorvechters van Dorp(l)elijkheid geven zelf het goede voorbeeld: ze wonen bijna allemaal in de stad.
Leo Van Broeck is ingenieur-architect en voormalig Vlaams Bouwmeester.