INTERVIEW. “Randvoorwaarden begrenzen een ontwerp, maar kunnen het ook beter maken”
Voorschriften, beleidsvisies en context bepalen mee wat op een plek mogelijk is, waardoor een vergunningstraject de facto al vóór de eerste ontwerpstreep begint. Alleen is dat speelveld zelden zwart-wit: regels vragen interpretatie en laten ruimte voor dialoog. Precies daar ontstaat de spanning tussen vergunbaarheid en ontwerpvrijheid. Maar die spanning hoeft niet noodzakelijk negatief te zijn. “Randvoorwaarden begrenzen een ontwerp, maar kunnen het ook aanscherpen en tot onverwachte, meer contextgebonden oplossingen leiden”, stellen architecten Armand Eeckels van NU architectuuratelier en Bram Aerts van ATAMA. Naar aanleiding van de Architectura Awards, waar hun bureaus in de categorie Utiliteitsbouw gingen lopen met respectievelijk een eervolle vermelding voor De Groene Ark en de eerste prijs voor De Felix, gingen zij daarover in dialoog. Ook Corneel Pollefeyt van PermiPro nam deel aan het gesprek. Dat digitale platform ondersteunt architecten bij het vooronderzoek en de voorbereiding van vergunningsaanvragen en was partner van de Architectura Awards.
Een architect die niet weet welke spelregels gelden op het perceel waar zijn ontwerp zal komen te staan, dreigt tijd te investeren in oplossingen die later onhaalbaar blijken. Voor Armand Eeckels en Bram Aerts is inzicht in die randvoorwaarden dan ook een basisvoorwaarde om te ontwerpen. Alleen zijn die spelregels volgens hen niet altijd in één duidelijk voorschrift terug te vinden. “Een RUP legt bepaalde krijtlijnen vast, maar daarnaast spelen ook bouwreglementen, beleidskaders en verwachtingen van verschillende stadsdiensten een rol. Die hebben soms een even grote of zelfs grotere impact dan een algemeen artikel in een RUP”, vertelt Bram Aerts.
Voor grotere projecten wijst Bram Aerts in dat verband op zijn positieve ervaringen met de projectdefinities van de stad Gent. “Daarin worden niet alleen formele voorschriften verzameld, maar ook verschillende beleidslijnen en verwachtingen van stadsdiensten. Dat vind ik positief, omdat je zo vanuit de stedenbouwkundige dienst een gecoördineerde visie krijgt. Die visies zijn soms contradictorisch, maar dat hoeft geen probleem te zijn. Met een goede dialoog kom je daar wel uit.”
Voor kleinere projecten is zo’n uitgebreid voortraject echter veel minder vanzelfsprekend. Precies daar ziet Corneel Pollefeyt een rol voor PermiPro. “De informatie die bepaalt wat op een perceel mogelijk is, zit, zoals Bram al onrechtstreeks aanhaalde, haast altijd verspreid over uiteenlopende bronnen”, vertelt hij. “PermiPro brengt die geodata, stedenbouwkundige voorschriften, beleidsdocumenten en informatie over de context daarom samen om die op één plek te kunnen analyseren.”
Volgens hem moet die informatie idealiter al beschikbaar zijn vóór de eerste ontwerpkeuzes. “Voor je begint te ontwerpen, moet je eigenlijk al inzicht hebben in wat mogelijk is. Volledige zekerheid dat iets ook vergund zal worden, heb je op dat moment natuurlijk nooit. Maar je wilt wel vermijden dat een architect en opdrachtgever een traject starten vanuit verwachtingen waarvan je vooraf al weet dat ze moeilijk haalbaar zijn.”
Regels vinden is slechts het begin
Weten welke regels op een perceel gelden, is één zaak. Daarna volgt de vraag hoe ze zich tot elkaar verhouden. Volgens Corneel Pollefeyt zit precies daar een belangrijk deel van de complexiteit. “Naast de veelheid aan voorschriften en beleidsdocumenten speelt ook hun juridische hiërarchie mee: welke regel weegt het zwaarst? Wat is afdwingbaar en wat vormt eerder een beleidsmatige leidraad?”, specifieert hij.
Ook daar probeert PermiPro duidelijkheid in te scheppen. Het platform brengt niet alleen de relevante documenten samen, maar past er ook de juridische hiërarchie op toe. Corneel Pollefeyt: “Zo proberen we duidelijk te maken welke voorschriften het zwaarst doorwegen en welke documenten eerder krijtlijnen of beleidsmatige wensen bevatten.”
Zodra ook dat duidelijk is, blijft er nog steeds ruimte voor interpretatie. Bram Aerts geeft een treffend voorbeeld. Zijn bureau belandde na een traject van drie jaar voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen in een discussie over de vraag wat precies als een mansardedak moet worden beschouwd. “Wij dachten: een mansardedak, dat kennen we toch? Is dat niet voor iedere burger hetzelfde? Blijkbaar is het dus niet altijd zo duidelijk.”
Volgens Armand Eeckels zijn de grote lijnen doorgaans wel helder en zit de moeilijkheid eerder in de context waarin de regels worden toegepast. “Hoe regels worden geïnterpreteerd en toegepast, hangt sterk af van de plek; een binnenstedelijke site is een heel andere context dan een perceel nabij een natuurgebied. En ook de gevoeligheden van de betrokken diensten spelen mee: je hebt de regels, maar daarnaast ook de manier waarop diensten en ambtenaren ermee omgaan.”
Ook bij die interpretatiestap probeert PermiPro ondersteuning te bieden. “De digitale assistent in het platform analyseert de voorschriften en beleidsdocumenten in de context van het perceel”, legt Corneel Pollefeyt uit. “We pretenderen niet dat ons platform alles met honderd procent zekerheid zwart-wit kan interpreteren, maar door ook de context weer te geven, geven we architecten meer houvast om een regel te interpreteren en hun lezing ervan te onderbouwen.”
Dat neemt niet weg dat bij complexere dossiers bijkomende gespecialiseerde expertise nodig kan zijn. Armand Eeckels verwijst naar een project waarvoor NU architectuuratelier zowel een externe erfgoedpartner als juridische bijstand inschakelde. “We zijn al een halfjaar bezig om goed te begrijpen wat de spelregels op de bewuste plek precies zijn, welke ruimte ze laten en welke strategie we het best volgen.”
Bij ATAMA gaat die juridische ondersteuning voor grotere projecten nog een stap verder. “Wij kunnen voor onze wat grotere projecten eigenlijk niet meer zonder juristen”, zegt Bram Aerts. “Je hebt enerzijds de regels, maar daarnaast ook de rechtspraak. Voor een masterplan moet je echt rekening houden met de recente rechtspraak, anders komt het er niet. Bij sommige projecten zit ons bureau vóór de vergunningsaanvraag meermaals samen met juristen. Ook verantwoordingsnota’s worden juridisch doorgelicht en de gebruikte terminologie wordt nauwgezet afgewogen. Daarbovenop komen thema’s als mobiliteit, biodiversiteit, waterbeheer, geluid en stikstofuitstoot, die elk hun eigen expertise vragen en tegelijk een impact op het ontwerp hebben.”
Dat architecten met die complexiteit moeten leren omgaan, neemt volgens Bram Aerts niet weg dat het regelgevend kader eenvoudiger mag. Als lid van een commissie die zich over deregulering buigt, pleit hij net voor minder en betere regels. “Minder en duidelijker, dat is altijd goed.”
“Architecturale kwaliteit moet centraler”
Dat regels een ontwerp begrenzen, betekent voor Armand Eeckels en Bram Aerts niet dat ze de ontwerpkwaliteit noodzakelijk in de weg staan. “Randvoorwaarden begrenzen een ontwerp, maar kunnen het ook aanscherpen en tot onverwachte, meer contextgebonden oplossingen leiden”, zijn beide architecten het eens.
Armand Eeckels illustreert dat met een concreet voorbeeld: “We hadden voor een woning een klassieke achterbouw in gedachten, maar dat bleek niet te mogen. Door rekening te houden met de 45-gradenregel kwamen we uiteindelijk tot een erker met een schuin afgesneden hoek. Zo veroorzaakte de uitbreiding geen hinder voor de buren en ontstond tegelijk een groot raam dat de woning een heel specifieke kwaliteit gaf.” De architect pleit er dan ook voor regels niet alleen als een beperking te benaderen. “Als Belgen hebben we de reflex regels uit de weg te gaan, maar je kunt beter met de regels meedenken en proberen daar als ontwerper plezier in te vinden, om zo tot een mooie uitweg te komen.”
“Dat wil niet zeggen dat elke regel automatisch tot een beter ontwerp leidt”, vult Bram Aerts aan. “Voorschriften worden vaak voor een groter gebied opgesteld en pakken daardoor op een specifieke plek soms minder logisch uit. Maar ook wanneer een voorschrift op het eerste gezicht weinig evident lijkt, moet je ermee aan de slag gaan in plaats van het als een beperking te beschouwen.”
Armand Eeckels is het daarmee eens en vindt dan ook dat het beleid veel minder de nadruk zou moeten leggen op strikt afgebakende maten en volumes en veel meer op de architecturale kwaliteit die het op een bepaalde plek wil bereiken. “Zo zou het bijvoorbeeld ook meer moeten gaan over welke relatie een gebouw aangaat met het openbaar domein. Zo’n inhoudelijk kader vind ik interessanter dan een benadering die vooral vastlegt hoe hoog, diep of groot een gebouw mag zijn.”
Daarmee komt het gesprek terug bij de spanning tussen vergunbaarheid en ontwerpvrijheid. Voor Armand Eeckels en Bram Aerts hoeven beide dus geen tegenstelling te zijn. “Hoe beter een architect het speelveld en de achterliggende ambities begrijpt, hoe gerichter hij met de grenzen ervan aan de slag kan. Regels bepalen mee wat wel en niet mogelijk is, maar hoeven een ontwerp niet alleen te beperken. Ze kunnen een architect ook dwingen verder te zoeken en zo leiden tot oplossingen die zonder die randvoorwaarden misschien nooit op tafel waren gekomen”, vatten ze het samen.