INTERVIEW. Guy Mouton over ‘Talking Structures’: “De rode draad is de zoektocht naar verwondering”
Met het boek Talking Structures: Mouton and the Under-Order in Architecture blikt ingenieursbureau Mouton terug op ruim drie decennia ontwerpen aan de draagstructuur van architectuur. Geen klassiek overzicht van gerealiseerde gebouwen, maar achttien projectverhalen die tonen hoe structuur een architecturaal idee kan ondersteunen, versterken of soms zelfs mee bepalen. Architectura schoof aan tafel bij oprichter Guy Mouton om samen door het boek te bladeren en stil te staan bij zeven projecten die elk iets vertellen over zijn kijk op architectuur en structuur.
Het gesprek voert van een eerste schets voor Westerpunt in De Panne langs de golvende spanten van de Boerekreek en de complexe draagstructuur van het Antwerpse Havenhuis naar De Krook en het BMCC. Via de transformatie van het gemeentehuis van Mortsel belanden we uiteindelijk bij een 28 meter hoge bamboetoren. Heel uiteenlopende projecten, maar gaandeweg tekent zich een rode draad af: voor Guy Mouton is een draagstructuur nooit alleen een antwoord op de vraag hoe een gebouw overeind blijft. “We proberen altijd te zoeken hoe de structuur architectuur kan worden.”
Tekenen om te denken
Als we het boek openslaan, valt op hoeveel schetsen en technische tekeningen erin staan. Bij Westerpunt van Studio MOTO in De Panne begon je al tijdens een van de eerste gesprekken te tekenen. Waarom is die schets voor jou zo belangrijk?
Guy Mouton: “Tekenen is voor mij ideeën op papier zetten. Ik teken heel veel. Op een computer kan ik dat niet op dezelfde manier. Bij Westerpunt kwamen de architecten hier met hun wedstrijdontwerp. Ik liep voorbij, zag het op een scherm staan, vond het interessant en ben mee aan tafel gaan zitten. Daar heb ik meteen een eerste schets gemaakt.”

“Zo’n tekening is voor mij een manier om te onderzoeken: hoe zou ik dit kunnen maken? Bij Westerpunt was dat bijna een soort Meccano die ik probeerde uit te tekenen. Ik vind het interessant om dat te doen terwijl de architecten erbij zitten. Je kunt op dat moment al inschatten welke afmetingen bepaalde elementen ongeveer nodig hebben en daar meteen samen over nadenken. De schets is dus niet de voorstelling van een oplossing die al bestaat. Het is een manier om tot die oplossing te komen.”
Dat betekent ook dat de ingenieur heel vroeg in het ontwerpproces aan tafel moet zitten?
“Dat vind ik belangrijk. Ik probeer niet te vertrekken van: dit is de architectuur en daar moeten we achteraf een structuur onder steken. De vraag is eerder: wat wil je eigenlijk maken, en welke structuur kan daarbij helpen? Dat gesprek interesseert mij. De architectuur beïnvloedt de structuur, maar de structuur kan op haar beurt ook iets teruggeven aan de architectuur.”
Poëtische stabiliteit
We bladeren verder naar de Boerekreek van Coussée & Goris. Daar wordt een bekend constructief principe, het Polonceau-spant, vervormd en gecombineerd met andere structurele principes. Waarom niet gewoon één efficiënt spant ontwerpen en dat overal herhalen?
“Het vertrekpunt is eigenlijk heel eenvoudig. Een Polonceau-spant bestaat uit twee gekoppelde driehoeken met een trekker ertussen. Maar hier hebben we daar andere elementen aan toegevoegd, onder meer om de stabiliteit onder windbelasting op te lossen. Daardoor beginnen verschillende structurele systemen door elkaar te werken. Vervolgens kun je met de verhoudingen spelen.”

Doordat de gevelhoogte varieert, verandert ook de krachtswerking in het spant, waardoor de driehoeken een andere hoogte kunnen krijgen. Als je onder het dak loopt, krijg je daardoor die beweging, die golving. Dat is natuurlijk niet de meest voor de hand liggende manier om een reeks spanten te maken, maar met CNC-technieken (computergestuurde bewerking, nvdr.) kun je die verschillende elementen heel precies produceren. Constructief blijft het dus perfect beheersbaar, maar tegelijk ontstaat er iets wat verder gaat dan louter constructie.”
Tijdens de avond waarop Talking Structures werd voorgesteld, viel meermaals het woord ‘poëzie’. Ook bij de Boerekreek lijkt de constructie iets poëtisch te krijgen. Waar zit voor jou die poëzie in een structuur?
“Voor mij heeft dat met schoonheid te maken, met verwondering. Je kunt een constructief probleem vaak op verschillende manieren oplossen. Dan vind ik het interessant om te zoeken naar een oplossing die meer doet dan alleen werken. Bij de Boerekreek was bijvoorbeeld ook de vraag dat de structuur iets bevreemdends zou krijgen. Dat is natuurlijk een heel subjectieve vraag om aan een ingenieur te stellen, maar net daardoor begint het interessant te worden.”
“Goede architectuur verwondert omdat ze afwijkt van wat je al kent. Als het architecturale beeld anders is, is het ook logisch dat de onderliggende structuur anders kan zijn. Dat betekent niet dat je koste wat het kost voor ieder project iets nieuws moet uitvinden. Een goede oplossing mag terugkomen. De Boerekreek en het bezoekerscentrum in het Zwin zijn bijvoorbeeld verwant naar de geest, maar vertellen constructief toch een heel ander verhaal.”
De ingenieur aan de ontwerptafel
Bij het Havenhuis in Antwerpen wordt die wisselwerking nog veel complexer. De nieuwe bovenbouw van Zaha Hadid Architects rust op een bestaand gebouw dat zich constructief heel anders gedraagt. Wat maakte dat project voor jullie zo bijzonder?
“Het oude gebouw is heel stijf, maar kan niet zomaar grote bijkomende krachten opnemen. De nieuwe structuur erboven kan net veel kracht opnemen, maar beweegt ook: daar spreken we over vervormingen van centimeters. Je moet dus twee heel verschillende systemen met elkaar verzoenen.”

“Bij het Havenhuis bestond de constructie bovendien uit verschillende vraagstukken die met elkaar samenhingen: de onderstructuur, de lift, het dak, de brug tussen oud en nieuw... In het boek hebben we dat daarom ook in verschillende delen uiteengelegd. Voor bepaalde onderdelen kregen tijdens het ontwerpproces zelfs namen. We spraken bijvoorbeeld over de ‘paperclip’ en de ‘motorkap’. Zulke namen helpen om over complexe structuren te praten en samen te begrijpen wat een bepaald onderdeel moet doen.”
Is dat voor jou de essentie van samenwerken met een architect: niet een vorm op je bord krijgen en die vervolgens berekenen, maar samen zoeken?
“Ja. De ene kan de andere leiden. Soms leidt de architectuur en moet de structuur volgen, soms kan een structureel idee de architectuur mee sturen. Juist die wisselwerking vind ik spannend. Als wij alleen een stabiliteitsbureau zouden zijn dat ervoor zorgt dat een gebouw niet instort en de architect daarna maar zijn plan moet trekken, zou ik dat bijzonder saai vinden.”
Wanneer structuur architectuur wordt
Bij De Krook in Gent lijkt die grens tussen architectuur en structuur bijna helemaal te verdwijnen. Is dat een project waarin die ambitie heel ver is doorgedreven?
“De Krook is eigenlijk bijna één en al structuur. Als je de structuur gebouwd hebt, wat voeg je dan nog toe? Een verhoogde vloer, een vals plafond, glas... Dat is wat overdreven gesteld, maar de draagstructuur bepaalt het gebouw heel sterk. Dan is het ook logisch dat je daar veel aandacht en middelen aan besteedt.”

“Je ziet dat bijvoorbeeld aan de kolommen en liggers, maar ook aan de manier waarop de aansluitingen zijn opgelost. Soms moet je constructieve toleranties opvangen zonder dat ze het architecturale beeld verstoren. Dat soort zaken proberen we zo te ontwerpen dat de structuur leesbaar blijft en tegelijk onderdeel wordt van het gebouw.”
Wanneer is een structureel element voor jou geslaagd?
“Een kolom is zeker niet verkeerd, maar ze moet niet alleen structuur zijn. Ze moet ook architectuur zijn. Eigenlijk probeer ik dat voor ieder structureel element te bekijken: heeft het ook een architecturale betekenis? Zo niet, dan moet je misschien naar een andere oplossing zoeken. Een kolom kan bijvoorbeeld op een plek staan die interessant is voor het gebruik van een ruimte of voor het zicht. Dan doet ze meer dan alleen een last naar beneden brengen.”
“Dat wil overigens niet zeggen dat structuur altijd spectaculair moet zijn. Bij het crematorium Hofheide in Holsbeek bijvoorbeeld is de draagstructuur op zichzelf vrij gewoon. Daar zat het onderzoek veel meer in de materialiteit van het beton en in de manier waarop ook andere aspecten, zoals de akoestiek, onderdeel konden worden van de architectuur. Uiteindelijk moet alles samenhangen. Ik dacht vroeger dat een goed gebouw ontstond wanneer de architectuur logisch was, de structuur logisch was, de akoestiek logisch was en de technieken logisch waren. Maar als al die dingen naast elkaar blijven bestaan, krijg je daarom nog geen goed gebouw. Het moet één verhaal worden. Het moet één ding worden.”
Ook het onzichtbare telt
Een paar bladzijden verder komen we bij het BMCC in Brugge van Eduardo Souto de Moura en META architectuurbureau. Daar gebeurt bijna het omgekeerde: in het congresgedeelte wordt een groot deel van de draagstructuur verborgen. Vind je dat als ingenieur jammer?
“Neen. Dat is een keuze die ik respecteer. Ik heb daar geprobeerd een structuur te tekenen die de architectuur respecteert. De structuur hoeft niet altijd zichtbaar te zijn om een belangrijke rol te spelen.”

“Ook hier zit het ontwerpen trouwens in veel meer dan het dimensioneren van balken en kolommen. In het boek tonen we bijvoorbeeld hoe het plan en de positie van de kolommen geëvolueerd zijn. Dat waren belangrijke beslissingen om de structuur van het congres- en beursgedeelte goed op elkaar te laten aansluiten. We hebben ook uitvoerig gesproken over de vorm van bepaalde structurele elementen. In de zichtbaar gelaten spanten van het beursgedeelte waren de diagonalen voorgesteld in ronde staalbuizen maar de architect wou scherpe profielen onder de vorm van H-profielen. Dat is precies het soort gesprek waarin architectuur en structuur voortdurend op elkaar reageren.”
Dus ‘Talking Structures’ betekent niet noodzakelijk dat de constructie letterlijk moet spreken door zichtbaar te zijn?
“Neen. Het gaat er voor mij veel meer om dat de structuur deel uitmaakt van het architecturale idee. Soms staat ze op de voorgrond, soms bijna volledig op de achtergrond. Dat is geen probleem. Je moet per project zoeken naar wat juist is.”
Schoonheid terugvinden
Tijdens de boekvoorstelling in Gent ging opvallend veel aandacht naar het gemeentehuis van Mortsel. Bij aanvang van de avond sprak ik nog met architectuurfotograaf Filip Dujardin, die me vol enthousiasme over het project vertelde. Hij zei dat hij tijdens het fotograferen haast niet kon stoppen met beelden maken. Wat maakt dit project voor jou zo bijzonder?
“Dat project was voor mij echt een verrassing. Ik vond het bestaande gebouw eerst wat vreemd, niet zo mooi. Maar de architecten zijn erin geslaagd om de schoonheid ervan zichtbaar te maken. Dat heeft mij enorm verrast.”

“Constructief was er tegelijk heel veel werk. Sommige dragende kolommen bleken in bijzonder slechte staat. Bij bepaalde kolommen zat er bijna geen beton meer in en toch stond het gebouw nog overeind. Er zijn ook ingrepen gebeurd waarbij delen van de bestaande vloeren zijn weggehaald. Je bent dus voortdurend aan het lezen wat er al is, wat behouden kan blijven en waar je moet ingrijpen.”
Is dat ook een interessant aspect van samenwerken: dat een architect jou anders naar een bestaande structuur kan leren kijken?
“Zeker. Dat is geen eenrichtingsverkeer waarbij de ingenieur altijd degene is die iets aan de architect uitlegt. Hier hebben de architecten mij iets laten zien wat ik aanvankelijk onvoldoende zelf zag: dat er kwaliteit in dat bestaande gebouw zat. Vervolgens moet je als ingenieur zoeken hoe je die kwaliteit constructief kunt behouden en versterken.”
Altijd opnieuw beginnen
Aan het einde van het boek komen we bij de bamboetoren in Planckendael. Een van de recentste projecten, en bij het drukken van het boek zelfs nog niet helemaal afgewerkt. Na meer dan dertig jaar werken beland je daar opnieuw bij een materiaal waarvan je niet precies weet wat het kan. Is dat zoeken essentieel om het werk interessant te houden?
“Absoluut. Aan die bamboetoren hebben we heel hard gewerkt. Bamboe is een materiaal dat we veel minder goed kennen dan staal, hout of beton. We hebben dus echt moeten onderzoeken wat de draagkracht is en hoe het materiaal zich bijvoorbeeld gedraagt bij uitknikken. De toren is 28 meter hoog, dus dat moet je heel grondig begrijpen.”
“Ik ben daar ook sterk met de vormgeving bezig geweest. De toren was voorzien om afgedekt te worden met een speciale doorzichtige folie, een ETFE-folie, die de bamboe moet afschermen van regen. Die folie wordt opgespannen op een staalstructuur dat afsteunt op onze bamboestructuur. Alhoewel we onze bamboe-grid afgestemd hadden op het ETFE-verhaal, liep het plots mis. Onze velden van het bamboe-grid waren te groot. Door goed na te denken hoe we de twee systemen toch op elkaar konden afstellen vonden we een interessant concept waar de stalen draagstructuur van de folie plots onafhankelijker werd van de bamboestructuur. Dat is belangrijk omdat staal anders uitzet bij temperatuurverschillen dan bamboe. Nu kunnen die twee systemen als het ware ten opzichte van elkaar ‘ademen’.”
Als we na zeven projecten het boek weer dichtdoen: is dat zoeken naar iets wat je vooraf nog niet kent uiteindelijk de rode draad door het werk van Mouton?
“Ja, al zou ik niet beweren dat ieder project dat we hier op kantoor doen volledig anders is. Voor het boek hebben we natuurlijk projecten gekozen waarover een verhaal te vertellen valt. Maar de rode draad is wel die zoektocht naar verwondering. Hoe kunnen we iets zo maken dat de structuur architectuur wordt?”
“Daarom vind ik het ook zo interessant wanneer architectuur en structuur elkaar kunnen leiden. De ene keer komt het idee meer vanuit de architectuur, de andere keer vanuit de structuur. Dat is bijna een dans. En precies die wisselwerking maakt het voor mij boeiend. Een structuur moet uiteraard werken en berekend zijn, maar daar hoeft het verhaal niet te eindigen. Vanaf dat moment kan het ontwerpen eigenlijk pas beginnen.”