Licht in scène gezet: natuur en kunst in de uitbreiding van Paleis Het Loo

  • image
  • image
  • image
  • image
  • image
  • image
  • image
  • image
  • image
  • image
  • image
  • image

Daglicht waar het kan, gecontroleerd kunstlicht waar het moet. Dat principe vormt een rode draad door de uitbreiding van Museum Paleis Het Loo. In de ondergrondse Grand Foyer valt natuurlijk licht binnen via het glazen dak en speelt het water erboven met reflectie en beweging. Materialen als wit marmer versterken die werking en geven het licht telkens een andere verschijningsvorm.

In de tentoonstellingszalen verschuift de balans. Veel kunst is onder daglicht gemaakt en wordt daarin het meest volledig ervaren, maar natuurlijk licht tast kunstwerken ook aan. Daarom maakt rechtstreeks daglicht hier plaats voor een flexibel systeem van richtbare spots, waarmee de verlichting op kunstwerken en wisselende tentoonstellingen kan worden afgestemd. Zo ontstaat hier een zorgvuldig samenspel tussen twee lichtwerelden: de dynamiek van natuurlijk licht en de precisie van kunstlicht.

Ondergronds

De renovatie en uitbreiding van Paleis Het Loo begon met een bijzondere architecturale opgave. Het museum had behoefte aan onder andere een nieuwe ontvangsthal, garderobe, museumshop en bijkomende tentoonstellingsruimtes. Tegelijk moest het monumentale karakter van het paleiscomplex behouden blijven. KAAN Architecten koos daarom voor een uitbreiding die grotendeels aan het zicht is onttrokken. Onder het bestaande binnenplein kwam ongeveer 5.000 m² nieuwe museumruimte.

“De symmetrie van het paleis en de formele tuinen vormde daarbij een belangrijk vertrekpunt. Ook de structuur van het corps de logis - het centrale hoofdgebouw - werd vertaald naar de nieuwe plattegrond. Zo bouwt de uitbreiding voort op de historische ordening zonder zich bovengronds op de voorgrond te dringen. Mijn interesse ligt in de maakbaarheid: hoe je lijnen op tekening vertaalt naar een geënsceneerd geheel van materiaal, licht en proportie. Licht is daarin geen toevoeging achteraf, maar onderdeel van die enscenering”, vertelt architect Antony Laurijsen van KAAN.

Van gras naar glas

De meest zichtbare ingreep bevindt zich op het centrale binnenplein. Vier grasvelden maakten er plaats voor glazen vlakken met water. Daaronder ligt de Grand Foyer, het nieuwe hart van het museum. Water was geen toevallige keuze. Het verwijst naar de historische tuinen van Paleis Het Loo, waarin fonteinen en waterpartijen al eeuwen een belangrijke rol spelen. Tegelijk bepaalt het de lichtbeleving onder het plein.

"Door het water en het glas komt het zonlicht naar beneden, waardoor je een prachtig sprankelend effect van het daglicht krijgt in een kelder die allesbehalve als een kelder voelt", zegt Antony. Het lichtbeeld reageert op het weer, het moment van de dag en de beweging van het water. Zelfs wanneer de zon zich nauwelijks laat zien, blijft die relatie met buiten aanwezig. "Zelfs op een diffuse, sombere winterdag is het daglicht in de foyer prachtig te ervaren", aldus Antony.

Daglicht wijst de weg

Daglicht binnenbrengen in een museum is echter geen vanzelfsprekendheid. Kunstwerken vragen immers om gecontroleerde omstandigheden en natuurlijk licht kan daarmee in conflict komen. Volgens Antony was het daarom zaak om precies te bepalen waar daglicht een meerwaarde vormt. "Er is altijd een spanning tussen daglicht en kunst. Kunst is vaak onder daglicht gemaakt en wordt daarin ook echt ervaren, maar natuurlijk licht heeft ook een negatieve invloed op kunstwerken. Daar moet je bewust mee omgaan en de grenzen opzoeken. Tegelijkertijd dragen daglicht en oriëntatie bij aan het welzijn.”

In Paleis Het Loo wordt daglicht daarom vooral ingezet waar oriëntatie en verblijf centraal staan. Het complex is georganiseerd rond duidelijke noord-zuid- en oost-westassen, die ook vanuit de ondergrondse uitbreiding leesbaar blijven. Door het glazen dak zien bezoekers onder meer het timpaan van het paleis; elders blijven de oostelijke en westelijke vleugels herkenbaar. Aan de hoofdentree en het entreebalkon brengen smallere lichtstroken het daglicht op een meer indirecte manier naar binnen. Daglicht wordt zo niet simpelweg toegelaten, maar bewust geënsceneerd.

Marmer speelt mee

Ook de materialisatie versterkt het lichtconcept. Voor de vloeren en wanden van de Grand Foyer werd wit Spaans marmer gebruikt in drie afwerkingen: gepolijst, gezoet en gestraald. Daardoor reageert één materiaal op verschillende manieren op het invallende licht. “De meer gepolijste oppervlakken reflecteren sterker, terwijl het stralen de tekening van de steen juist verzacht. In de wanden vormen die verschillen een hedendaagse interpretatie van een klassieke lambrisering”, legt Antony uit.

Ook in de vloer wordt dat principe toegepast. De verschillende afwerkingen vormen er een patroon dat naar een windroos verwijst en de oriëntatie volgens de windrichtingen benadrukt. Notenhouten deuren met een bladmotief, geïnspireerd op de oranjebloesem uit de historische ornamenten van het paleis, contrasteren met én complementeren het ingetogen en heldere materiaalpalet.

Waar daglicht stopt, neemt kunstlicht over

Wie vanuit de Grand Foyer naar de tentoonstellingsruimtes gaat, komt in een fundamenteel andere lichtomgeving terecht. Waar natuurlijk licht in de foyer wordt opgezocht, wordt het in de tentoonstellingszalen grotendeels buitengesloten.

De grote en kleine zalen zijn opgevat als white boxes zonder rechtstreeks daglicht. Voor de presentatie en conservering van kunstwerken zijn immers gecontroleerde lichtomstandigheden nodig. Bovendien moet het museum de verlichting kunnen aanpassen aan verschillende collecties en tijdelijke tentoonstellingen. Samen met een lichtadviseur ontwikkelde KAAN Architecten daarom een flexibel systeem van rails in carrévorm met richtbare spots. Afhankelijk van de tentoonstelling kunnen die opnieuw worden gepositioneerd en gericht.

"Wij hebben geprobeerd een balans te vinden tussen natuurlijk en kunstlicht", besluit Antony. "Natuurlijk licht waar oriëntatie de hoofdrol speelt; in de foyer en op de ankerpunten. En in de tentoonstellingszalen kunstlicht. Maar de nieuwbouw manifesteert zich vooral in de overgangen: van de entreepaviljoens naar het intieme entreebalkon met zijn lichtsleuven, naar de grandeur van de Grand Foyer, naar de ingetogen zalen en weer terug. Juist in die overgang van donker naar licht, en in de schakering van schaal, licht en proportie, wordt de nieuwbouw voelbaar."

Daarmee krijgt kunstlicht een andere taak dan het daglicht in de foyer. Niet veranderlijkheid, maar controle staat centraal. De bezoeker beweegt zo tussen ruimtes waarin het licht vrij mag veranderen en ruimtes waarin het uiterst nauwkeurig wordt geregisseerd.

Licht begint bij de ruimte

De uitbreiding van Paleis Het Loo maakt vooral duidelijk hoe vroeg licht onderdeel kan worden van een architecturaal ontwerp. De werking ervan wordt hier niet alleen bepaald door spots, rails of andere verlichtingstechniek, maar evenzeer door de positie van glasvlakken, de aanwezigheid van water, de textuur van het marmer en de ruimtelijke organisatie van het gebouw.

Daarmee vormt Paleis Het Loo een relevante casus in aanloop naar Future Lighting, op 18 en 19 november in Evenementenhal Gorinchem. Het project toont hoe de vraag naar goed licht verder reikt dan de keuze van een armatuur of lichtbron. Daglicht, kunstlicht, materiaal, klimaat en architectuur zijn geen afzonderlijke oplossingen, maar complementaire onderdelen van één architecturaal concept.

Bron KAAN Architecten

  • Deel dit artikel

Onze partners