COLUMN. Heropening van het LaM in Villeneuve‑d’Ascq - deel 2/3 (Alexis Versele)
Naar aanleiding van de heropening van het LaM (Lille Métropole Musée d’Art Moderne, d’Art Contemporain et d’Art Brut) in Villeneuve‑d’Ascq loopt er, in samenwerking met het Centre Pompidou, tot 14 juni 2026 een grote overzichtstentoonstelling gewijd aan het werk van Wassily Kandinsky. Bezoekers kunnen er voor het eerst een ruime selectie van Kandinsky’s persoonlijke archieven ontdekken. Deze documenten bieden een vernieuwende blik op de ontstaansgeschiedenis van zijn abstracte kunst.
Parallel aan zijn omvangrijke schilderkundige, grafische, poëtische en scenografische oeuvre ontwikkelde Wassily Kandinsky een levenslange theoretische zoektocht, die vandaag wordt erkend als een van de meest invloedrijke bijdragen aan de internationale kunstwereld. Hij publiceerde eind 1911 in München het eerste grote manifest van de abstracte kunst Über das Geistige in der Kunst. Voor Kandinsky betekende abstractie het overstijgen van de uiterlijke verschijningsvorm van de dingen, zoals die in de natuur zichtbaar zijn. Hij zocht naar de innerlijke kracht van een schilderij. Volgens hem kan het innerlijke slechts worden geraakt wanneer men voorbijgaat aan het anekdotische en het verhalende – elementen die hij goed kende uit de Russische volkskunst en de sprookjeswereld die hem mee hadden gevormd.
Het zou onjuist zijn te beweren dat Kandinsky de uitvinder van de abstracte kunst was. Abstractie is geen westerse uitvinding. In tal van niet‑westerse culturen bestaan al eeuwenoude tradities van niet‑figuratieve kunst, zichtbaar in keramiek, textiel en architectuur. Kandinsky zelf verwees naar dergelijke precedenten en ging daarbij terug tot onder meer Perzië.
In zijn manifest schrijft hij: “Een van de eerste stappen op de weg naar het rijk der abstractie werd gezet op het moment waarop de derde dimensie werd uitgeschakeld, zowel in de tekenkunst als in de schilderkunst. Men streefde ernaar het schilderij zuiver picturaal in het vlak te houden. De modellering werd opgegeven. Hierdoor kwam het reële object dichter bij de abstractie, wat in zeker opzicht een vooruitgang betekende.”
Kandinsky’s uitspraak moet worden gelezen in een tijd waarin de Euclidische ruimte – zoals die sinds de oudheid werd begrepen – ter discussie werd gesteld door Einstein’s relativiteitstheorie en Lemaître’s theorie van het uitdijende heelal. Deze nieuwe inzichten beïnvloedden de Russische abstracte kunst diepgaand. De relativiteitstheorie versterkte het idee dat waarneming relatief is, wat Kandinsky’s streven naar abstractie theoretisch ondersteunde.
Daarnaast stimuleerden vernieuwende inzichten over tijd en ruimte, waaronder het concept van N‑dimensionale ruimte in de theoretische natuurkunde en wiskunde, een artistieke verbeelding die verder reikte dan de dagelijkse ervaring van drie ruimtelijke dimensies en één tijdsdimensie. Dit leidde bij vele kunstenaars en denkers tot dynamische, niet‑lineaire composities en tot het bewust uitschakelen van de derde dimensie.
Bij Kandinsky moet dit uitschakelen van de derde dimensie worden begrepen tegen de achtergrond van de meervoudige kruisbestuiving tussen theorieën over waarneming en representatie, zoals ontwikkeld door hemzelf en door Pavel Florenski (1882–1937). Florenski verdedigde als Russisch-Orthodoxe theoloog, filosoof, wiskundige, natuurkundige en ingenieur het omgekeerde perspectief in de schilderkunst, kenmerkend voor de orthodoxe iconografie en bood daarmee een alternatief voor de westerse naturalistische traditie van die tijd.
Alexis Versele is architect en gastprofessor, lid van de onderzoeksgroep Bouwfysica en Duurzaam Bouwen aan de KU Leuven.