COLUMN. Heropening van het LaM in Villeneuve‑d’Ascq - deel 3/3 (Alexis Versele)
Naar aanleiding van de heropening van het LaM (Lille Métropole Musée d’Art Moderne, d’Art Contemporain et d’Art Brut) in Villeneuve‑d’Ascq loopt er nog tot 14 juni 2026 een grote overzichtstentoonstelling gewijd aan het werk van Wassily Kandinsky. Hoewel Kandinsky geen architect was, vormden zijn abstracte beeldtaal, kleurentheorie en geometrische analyses een belangrijk fundament voor de hedendaagse architectuur.
Wassily Kandinsky speelde een bepalende rol in de beginjaren van het Bauhaus dankzij zijn theorie over kleur en vorm. In zijn onderwijs verbond hij schilderkunst, architectuur en ambacht. De seminariezalen en ateliers in Dessau fungeerden als laboratoria waar cirkels, driehoeken en vierkanten geen decoratieve elementen waren, maar instrumenten. Een rode driehoek, een blauwe cirkel of een gele vierkant kon spanning, rust of evenwicht suggereren, nog vóór er sprake was van een herkenbaar motief.
Kandinsky maakte zijn architecturale ideeën zichtbaar in zijn scenografische werk. Daarin toont hij hoe hij zijn abstracte beeldtaal vertaalde naar ruimte, beweging en een totale zintuiglijke ervaring. Zijn enscenering van Tableaux d’une exposition van Moussorgski (1928) en het Salon de musique (1931), dat hij ontwierp voor de architectuurtentoonstelling in Berlijn, zijn voorbeelden van zijn streven naar een Gesamtkunstwerk, waarin schilderkunst, architectuur, muziek en beweging samenvloeien.
Gesamtkunst
We zouden Kandinsky onrecht aandoen als we in dit artikel geen aandacht zouden besteden aan zijn diepe belangstelling voor synesthesie. Synesthesie is een neurologisch fenomeen waarbij verschillende zintuigen elkaar kruisen of vermengen. In Kandinsky’s geval betekende dit dat hij kleuren kon “horen” en klanken kon “zien”. Voor hem waren schilderkunst en muziek nauw met elkaar verbonden, een ervaring die hij omschreef als “gekleurde auditie”. Dit synesthetische denken bracht hem ertoe kunst te beschouwen als een Gesamtkunstwerk, een totale kunstvorm waarin verschillende zintuiglijke dimensies samenkomen.
Synesthesie komt in de tentoonstelling in Villeneuve‑d’Ascq niet expliciet aan bod, maar stond recent centraal in de tentoonstelling Kandinsky, la musique des couleurs in de Philharmonie de Paris. De tentoonstelling presenteerde de reconstructie van zijn synesthetische projecten, de enscenering van Tableaux d’une exposition en het Salon de musique,
Het begin van Kandinsky’s synesthetische bewustwording situeert hij zelf in 1896. Hij werd diep geraakt door de evocatieve kracht van een hooimijt van Claude Monet, waarvan hij het onderwerp niet kon herkennen, en door Wagners opera Lohengrin. Tijdens het luisteren naar deze muziek ervoer hij een synesthetische gewaarwording: kleuren ontvouwden zich voor zijn ogen terwijl de klanken zich in hem verankerden. Zowel Kandinsky als Pavel Florenski waren intens gefascineerd door synesthesie. Beiden beschouwden de middeleeuwse kerk of kathedraal als het oorspronkelijke synesthetische prototype: een totaal esthetisch universum dat een transformerende spirituele ervaring mogelijk maakte. Kandinsky schreef dat zijn eerste synesthetische ervaring plaatsvond “in de kerken van Moskou. Het waren waarschijnlijk deze indrukken, meer dan wat ook, die mijn verdere wensen en doelen voor mijn eigen kunst in mij vormden.” Voor hem stond de ervaring van het betreden van een middeleeuwse kerk gelijk aan het binnengaan van een multisensorieel, driedimensionaal kunstwerk. Hij bleef zijn hele leven onderzoeken hoe visuele en auditieve fenomenen psychofysiologisch inwerken op de menselijke waarneming.
Kandinsky en Florenski pleitten zelfs voor de oprichting van een synesthetisch “laboratorium”. Zij zagen in de orthodoxe liturgie de ultieme synesthetische ervaring, waarin beeld, beweging, licht, geluid en geur samenkomen in een “synthese der kunsten”: architectuur, fresco’s, iconen, liturgische objecten, gewaden, lezingen, gezang, de ritmische bewegingen van de priesters en zelfs “de kunst van rook en vlam”.