KRITISCHE MASSA. Te zwaar (Gerd Van Zundert)

  • image
  • image

Ik trek te voet op pad, met de tent op de rug. Vroeger woog die rugzak zonder moeite 25 à 30 kilo, we namen alles mee om weken in het wild te overleven. Vandaag mik ik op 15 kilo, maximaal 20. Meer is gewoon te zwaar.

Ik ben 1,83 m en weeg doorgaans 72 kilo. Als de weegschaal richting 76 gaat, voelt dat al snel als te zwaar. Over het gewicht van andere mensen hebben we het zelden. En al zeker niet in die termen.

Wanneer we het over ‘gewicht’ in gebouwen hebben, gaat het over het eigengewicht, de nuttige lasten, over de draagkracht van de ondergrond. In België zit dat doorgaans goed: sonderingen brengen de bodem netjes in kaart, en met lastendalingsberekeningen zoeken ingenieurs naar evenwicht. Daar komen complexe studies en zware software aan te pas, maar zelden is de conclusie dat een gebouw simpelweg te zwaar is.

We spreken ook over lichte en zware architectuur. ‘Licht’ staat dan voor slanke structuren, fijne stalen kolommen, glas, transparantie. ‘Zwaar’ voor massieve muren, kleine openingen, beton. Soms laat een architect een volume zweven of uitkragen om het lichter te laten ogen. Persoonlijk hou ik ervan wanneer gebouwen gewoon aarden. Met hun voeten op de grond. Dat maakt ze vertrouwd.

En dan is er ons eigenlijke werk: tekeningen. Zwarte inkt op wit papier. Alles samen misschien 120 gram, als we voor mooi papier kiezen. In die 120 gram zit een enorme hoeveelheid tijd, energie en inzicht. Ontwerpen vraagt studie, ervaring en concentratie. Het vraagt het vermogen om een plek te lezen, een landschap, een dorp, een stad en om iets te maken dat zich daar respectvol in nestelt. Een goed gebouw draagt bij. Het versterkt zijn omgeving, maakt het dagelijks leven net iets beter. Elke ontwerper legt daarin zijn eigen accenten. Elke opdracht is een tocht.

Tot het project op tafel komt bij de vergunningverleners. Er wordt geluisterd, geknikt, misschien zelfs enthousiast gereageerd.

En dan volgt er een stilte. Een zucht. ‘Is dit toch niet wat te zwaar?’

Opmerkelijk hoe in ons vakgebied twee woorden kunnen volstaan om een project te kelderen zonder verdere argumentatie. Dan duiken termen op als ‘ruimtelijke draagkracht’ en ‘densiteit’. Begrippen ontleend aan de natuurwetenschappen, ingezet om het debat een objectief aura te geven. Maar hoe meet je die precies? Welke instrumenten bestaan daarvoor? Er is geen toestel dat de ‘ruimtelijke draagkracht’ van een plek eenduidig in kaart brengt.

Opvallend ook: zelden hoor je iemand spreken over een project dat ‘te licht’ is.

In de middeleeuwen woonden er in Venetië ongeveer 200 mensen per hectare, vergelijkbaar met Monaco vandaag, een van de dichtstbevolkte plekken ter wereld. En Venetië is een magische stad, toch?

Gaan we er echt van uit dat minder mensen per hectare automatisch tot harmonieuzer samenleven leidt? Dat ‘minder zwaar’ simpelweg betekent: minder bouwen?

‘Te zwaar’ is bovendien geen absoluut gegeven.

Ik moet denken aan de tijd dat ik aan het verbouwen was. In mijn enthousiasme laadde ik de kruiwagen vaak veel te vol. Maar als ik het gewicht slim verdeelde — het zand wat meer naar voren, boven het wiel — werd het plots een licht werkje. De last bleef dezelfde, de ervaring niet.

Is het met architectuur niet vergelijkbaar? Als een project zorgvuldig is gemodelleerd, goed is ingebed, iets teruggeeft aan zijn omgeving, dan voelt het lichter. Dan kan het misschien zelfs meer dragen. Kwaliteit herverdeelt het gewicht.

Er is alleen geen enkele weegschaal die dat meet.

Net als met de rugzak en de kruiwagen: de last is zelden het probleem … het is hoe je ze verdeelt en draagt.

Misschien geldt dat ook voor architectuur en voor wie erover oordeelt. Misschien moeten we opnieuw de woorden vinden om over architecturale kwaliteit te discussiëren.

Gerd Van Zundert is architect en vennoot bij AIDarchitecten.

  • Deel dit artikel

Onze partners