The Hive: Jaspers-Eyers Architects transformeert voormalig ASLK-gebouw tot open en circulair werklandschap

  • image
  • image

In het hart van Brussel werkt Jaspers-Eyers Architects – het ontwerpbureau dat geleid wordt John en Loïk Eyers – aan de renovatie van The Hive, het voormalige ASLK-gebouw dat later dienstdeed als kantoor van BNP Paribas Fortis. Het markante kantoorgebouw, ontworpen door Marcel Lambrichs tussen 1969 en 1974, is een bekende verschijning in het Brusselse straatbeeld dankzij zijn opvallende betonnen exoskelet. Voor de architecten lag de uitdaging niet alleen in het actualiseren van een gebouw uit de jaren zeventig, maar ook in het begrijpen van zijn oorspronkelijke kwaliteiten. “Het is een gebouw dat iedereen in Brussel kent”, klinkt het. “De opgave was om het aan te passen aan de huidige behoeften zonder dat het zijn identiteit verliest.”

Hoewel het gebouw jarenlang als kantoorcomplex heeft gefunctioneerd, waren verschillende oorspronkelijke ruimtes opmerkelijk goed bewaard gebleven. De monumentale inkomhal met wit marmer, de brede trappen en de architectonische betonstructuur getuigen nog steeds van de ambities waarmee het gebouw begin jaren zeventig werd ontworpen. Voor architect Youssef Ben Abdallah vormden die kwaliteiten een belangrijke reden om zorgvuldig met het bestaande gebouw om te gaan. “Er waren nog veel authentieke elementen aanwezig in het gebouw”, vertelt hij. “Die kwaliteiten wilden we absoluut meenemen in het nieuwe verhaal van The Hive.”

Van gesloten bankgebouw naar open stadsgebouw

Net omdat veel kwaliteiten van het oorspronkelijke gebouw behouden bleven, werd ook kritisch gekeken naar de aspecten die minder goed waren verouderd. “Vandaag keert het bouwblok zich volledig naar binnen”, legt projectarchitect Eric Delgoffe uit. Dat introverte karakter bepaalde jarenlang de relatie van het gebouw met zijn omgeving. De architectuur straalde kracht en stabiliteit uit, maar hield de stad tegelijk op afstand. Achter de gesloten plint ging een grotendeels afgesloten wereld schuil die weinig contact maakte met de omliggende straten en pleinen. Voor het ontwerpteam werd het openbreken van die houding een van de eerste uitgangspunten.

Die ambitie vertaalt zich in een grondige herwerking van het gelijkvloers en de onderste niveaus. Waar de sokkel vroeger vrijwel ontoegankelijk was, komen vandaag verschillende toegangen, werkcafés en polyvalente ruimtes die het gebouw een meer publiek karakter geven. “Een van de eerste conclusies was dat we die blinde plint moesten openmaken”, vertelt Ben Abdallah. De relatie met de straat wordt daardoor veel directer dan voorheen. Het gebouw moet opnieuw deel gaan uitmaken van het dagelijkse leven in de buurt.

Respect voor een iconisch exoskelet

Terwijl de plint en de relatie met de stad grondig werden hertekend, lag dat anders voor de bovenbouw van het gebouw. En dan vooral voor de gevel, zonder twijfel de meest herkenbare eigenschap van The Hive. De repetitieve betonnen elementen die het volume omhullen, geven het gebouw zijn uitgesproken identiteit, maar vervullen tegelijk een structurele functie. “Het interessante is dat architectuur en structuur hier eigenlijk één geheel vormen”, zegt Delgoffe. Daardoor is het exoskelet veel meer dan een decoratieve schil: het bepaalt mee hoe het gebouw werkt en overeind blijft.

Tijdens de eerste ontwerpfase werd onderzocht of de buitenschil dichter bij het exoskelet kon worden gebracht om extra oppervlakte te creëren. Dat idee werd uiteindelijk verlaten, zowel om technische als erfgoedkundige redenen. De bestaande gevelstructuur bleek te waardevol om fundamenteel te wijzigen. “Het exoskelet maakt deel uit van de identiteit van het gebouw”, vertelt Ben Abdallah. “Dat was iets waar we absoluut respect voor wilden tonen.”

Twee patio’s brengen licht en natuur naar binnen

Omdat de karakteristieke gevel behouden bleef, moest de transformatie van The Hive vooral van binnenuit gebeuren. De meest ingrijpende architecturale interventie bevindt zich dan ook in het hart van het gebouw. Twee nieuwe patio’s worden uitgesneden uit de diepe vloerplaten en brengen natuurlijk licht tot diep in het interieur. Om die openingen mogelijk te maken, moest ook de interne organisatie van het gebouw gedeeltelijk worden herwerkt. “De patio’s lagen volledig in het centrum van het gebouw”, zegt Delgoffe. “Dat betekende dat we ook andere onderdelen moesten herschikken om ze mogelijk te maken.”

“Het doel was om echte natuur in het gebouw te brengen”, vult hij aan. Die ambitie gaat verder dan het toevoegen van enkele planten. Grote plantvakken maken het mogelijk om zelfs bomen op te nemen, terwijl bijkomende groenzones worden voorzien op terrassen en daken. De voormalige kantoorstructuur krijgt daardoor een veel zachter en menselijker karakter. Volgens het ontwerpteam moet de vegetatie een volwaardig onderdeel worden van de dagelijkse werkomgeving.

Van diepe kantoorvloer naar gezonde werkplek

Met de twee patio’s werd bewust een deel van de verhuurbare kantooroppervlakte opgegeven. “Maar vandaag gaat het niet meer alleen over hoeveel vierkante meter je kunt aanbieden”, zegt Ben Abdallah. Door ruimte vrij te maken voor daglicht, lucht en groen kreeg de kwaliteit van de werkomgeving voorrang op het aantal vierkante meters. Dat sluit volgens hem aan bij een bredere evolutie binnen de Brusselse kantorenmarkt.

Die keuze zorgt voor een heel andere werkervaring dan in het oorspronkelijke gebouw. Waar de diepste zones vroeger ver van gevels en daglicht verwijderd lagen, ontstaan nu werkplekken met meer visueel contact met groen en de buitenruimte. Daarnaast brengen de patio’s meer variatie in de organisatie van de verdiepingen en creëren ze plekken waar mensen elkaar informeel kunnen ontmoeten. “Mensen verwachten vandaag dan ook veel meer van een werkomgeving dan alleen een bureau en een stoel”, aldus Delgoffe.

Circulariteit als ontwerpstrategie

De ingrijpende transformatie van het gebouw ging gepaard met een even ambitieuze aanpak op vlak van materiaalgebruik. Samen met onder meer Drees & Sommer onderzocht het ontwerpteam welke materialen konden worden behouden, hergebruikt of elders ingezet. “We hebben geprobeerd om zoveel mogelijk waardevolle elementen een tweede leven te geven”, zegt Ben Abdallah. Circulariteit werd daarbij niet opgevat als een afzonderlijke duurzaamheidsmaatregel, maar als een manier van ontwerpen.

Dat leidde tot een uitgebreide vorm van urban mining. Silexvloeren, graniet, marmer en verschillende interieuronderdelen worden opnieuw geïntegreerd in het gebouw, terwijl andere elementen elders een bestemming kregen. Zelfs meubilair, sanitaire toestellen en sportuitrusting werden zorgvuldig gedemonteerd en opgeslagen of doorverkocht. “Sommige materialen keren terug op exact dezelfde plek, andere krijgen een nieuwe bestemming”, klinkt het. Zo blijft een deel van de geschiedenis van het gebouw voortleven, zowel binnen als buiten The Hive.

Renovatie als toekomstmodel

Naast de ruimtelijke en circulaire ingrepen werd tot slot ook sterk ingezet op de energetische prestaties van het gebouw. Nieuwe isolatie, aangepaste geveldetails en doorgedreven studies naar warmte- en vochttransport moesten ervoor zorgen dat het gebouw voldoet aan hedendaagse normen zonder zijn karakteristieke verschijning te verliezen. “We wilden de prestaties verbeteren zonder de uitstraling van het gebouw fundamenteel te veranderen”, zegt Delgoffe. Dat vroeg voortdurend overleg tussen architecten, ingenieurs en erfgoedspecialisten.

Voor de architecten reikt de betekenis van The Hive uiteindelijk verder dan dit ene gebouw. Volgens hen toont het project aan dat ook complexe kantoorgebouwen uit de twintigste eeuw een toekomst kunnen krijgen wanneer er voldoende ambitie is om hun kwaliteiten opnieuw te ontdekken. “We moeten leren om eerst naar renovatie te kijken voordat we aan sloop denken”, besluiten ze. “Dit project bewijst dat je erfgoed kunt bewaren én tegelijk een gebouw volledig kunt aanpassen aan de noden van vandaag.”

  • Deel dit artikel

Onze partners