KRITISCHE MASSA. ‘Sorry’ als het mooi is (Cente Van Hout)
Ik ben opgeleid tot architect in een tijd waarin architecten zichzelf niet langer vertrouwden. We leerden ontwerpen, maar vooral ook wantrouwen: het plan, de vorm, het gebaar, de ambitie, de handtekening. De architect was niet langer de held van de moderne stad, maar de verdachte erfgenaam van een geschiedenis vol hoogmoed, sloop, sociale experimenten en esthetische ijdelheid. Wie wilde bouwen, moest zich eerst verantwoorden. Wie iets mooi vond, moest voorzichtig zijn. Zo ontstond een merkwaardige figuur: de architect die zijn eigen architect-zijn begon te wantrouwen. De anti-architect.
De anti-architect wilde vooral maatschappelijke problemen aanpakken: sociale ongelijkheid, duurzaamheid, circulariteit, inclusie, klimaat, zorg en gemeenschapsvorming. Belangrijke thema’s, die er zonder twijfel toe doen. De bouwsector is een van de grote spelers in de klimaatcrisis. Ruimte is nooit neutraal. Gebouwen hebben sociale, ecologische en politieke gevolgen.
Maar op weg naar die betere wereld begon de anti-architect te geloven dat hij de wereld een dienst bewees door minder architect te zijn. Door andere rollen op te nemen en steeds meer petten op te zetten. In zijn zoektocht naar legitimiteit explodeerde zijn takenpakket. De anti-architect ontpopte zich zo tot een hedendaagse homo universalis: gemeenschapsvormer, materiaaldeskundige, logistiek expert, duurzaamheidsadviseur, antropoloog, ingenieur en beleidsmaker tegelijk.
Dat gebeurde niet zonder reden. De architect besefte steeds beter dat veel van de grote oplossingen niet op de tekentafel lagen, maar in wetgeving, fiscaliteit, grondpolitiek, energiebeleid en ruimtelijke ordening. Maar de gedachte dat de anti-architect als individuele ontwerper al die problemen kan oplossen, getuigt niet van nederigheid. Integendeel: het is een nieuwe vorm van zelfoverschatting.
De anti-architect lijkt zijn macht te wantrouwen, maar schrijft zichzelf tegelijk een bijna messiaanse verantwoordelijkheid toe. Een gebouw maken volstaat niet langer. Ook de samenleving moet worden genezen.
Die verbreding van het architectenberoep heeft ons allen bewuster gemaakt van de maatschappelijke impact van het bouwen. Maar ze leidde ons ook af van onze kerntaken. Fundamentele architectonische kwesties als vorm, compositie, karakter en schoonheid werden naar de marge geduwd. Ze werden behandeld als verdachte verlangens uit een fout verleden, of simpelweg als zaken die niet urgent genoeg waren.
Het zou niet langer gaan over hoe een gebouw eruitzag, maar over hoe het zich gedroeg en welke impact het genereerde. Het gebouw moest zich vervolgens voortdurend verantwoorden tegenover kwesties die het nooit volledig kon oplossen. Wat deed je gebouw precies? Welke ongelijkheid hief het op? Welke gemeenschap bracht het tot stand? Welke ecologische schuld loste het in?
Over schoonheid, vormgeving en identiteit kon uiteindelijk alleen nog op een abstract niveau worden gesproken. Niet als verlangen, niet als ervaring, niet als iets wat mensen raakte, maar als concept. Het concept als de biechtstoel van het gebouw: de plaats waar architectuur zichzelf moet vrijpleiten. Een gebouw mag mooi zijn, zolang schoonheid maar niet de reden is. Het mag aanwezig zijn, zolang het zich verontschuldigt voor zijn aanwezigheid. Het mag gebouwd worden, zolang het tegelijk bewijst dat het liever niet gebouwd was.
Die terughoudendheid zien we veel minder in de politiek. Integendeel. Terwijl architecten steeds voorzichtiger worden om over vorm, identiteit en esthetiek te spreken, lijken politici zich er juist nadrukkelijker mee bezig te houden. Ze lanceren architecturale toekomstbeelden en laten met AI complete steden, monumenten en werelden verschijnen nog voor er een plan bestaat. Van het New European Bauhaus tot Donald Trump wordt vanuit radicaal verschillende politieke projecten opnieuw geprobeerd om via beeld en vorm een toekomst voorstelbaar en aantrekkelijk te maken.
Er voltrekt zich zo een merkwaardige rolwisseling. Terwijl architecten steeds meer politicus worden, bezig met beleid, klimaat, inclusie, participatie en maatschappelijke verandering, beginnen politici zich steeds meer als architect te gedragen. Zij maken beelden, formuleren ruimtelijke ambities en vertellen hoe de toekomstige stad eruit moet zien.
De politiek lijkt daarmee iets te begrijpen wat de architectuur dreigt te vergeten: een toekomstbeeld overtuigt niet alleen door wat het belooft, maar ook door de vorm die eraan wordt gegeven. Net daarom is het belangrijk opnieuw scherp te stellen waar de ene rol eindigt en de andere begint.
Want politiek en beleid kunnen bepalen dat we moeten verdichten, renoveren, ontharden, hergebruiken, collectiever wonen en zuiniger omspringen met ruimte. Maar ze kunnen niet bepalen hoe die nieuwe wereld zal aanvoelen. Ze kunnen niet garanderen dat verdichting geen beklemming wordt, dat soberheid niet in armoede omslaat, dat circulariteit niet eindigt in een esthetiek van voorlopigheid, dat collectiviteit geen dwang wordt en duurzaamheid geen straf.
Precies daar begint de opdracht van de architect.
De ambities van een duurzamere en inclusievere samenleving moeten niet alleen worden vertaald in regels, normen en doelstellingen, maar ook in ruimtes waarin mensen daadwerkelijk willen leven. Die ambities omzetten in steen, hout, licht, verhoudingen en plekken die niet alleen verantwoord, maar ook begeerlijk zijn, is geen bijkomstigheid. Het is een immense opgave.
Dat vermogen om verandering vorm te geven is niet nieuw. Het modernisme liet al zien dat architectonische vernieuwing niet noodzakelijk bij de architect begint. De revolutie van staal en glas had zich al eerder voltrokken in industrie en infrastructuur. Maar architecten als Mies van der Rohe maakten van die technische werkelijkheid een ruimtelijke en culturele taal. Ze gaven haar vorm, esthetiek en betekenis, waardoor ze ook buiten fabriekshallen aanvaardbaar en begeerlijk werd.
Zo hielp het modernisme, juist via vorm, nieuwe manieren van wonen en leven voorstelbaar te maken.
Misschien moet de architect daarom niet nóg meer verantwoordelijkheden opnemen, maar eindelijk opnieuw verantwoordelijkheid nemen voor datgene wat alleen hij kan doen: vorm geven.
Niet nog meer petten opzetten. Niet nog minder architect zijn.
Maar juist meer architect zijn.
Niet de wereld redden. Niet elk maatschappelijk conflict oplossen. Niet elk gebouw voorzien van een moreel alibi.
Wel ruimte maken die overtuigt. Die verleidt. Die een andere manier van wonen, werken en samenleven niet alleen mogelijk maakt, maar ook voorstelbaar en begeerlijk.
Gebouwen die spreken. Die aanwezig zijn. Koppig, precies, gul, vreemd, monumentaal of stil.
En als het daarbij ook nog mooi wordt?
Geen sorry.
Cente Van Hout is architect bij a2o architecten. Hij is een van de zes auteurs van de Architectura-columnreeks Kritische Massa.
In de rubriek Kritische Massa werpen zes columnisten afwisselend hun blik op de maatschappelijke dimensies van architectuur en bouwen: Benjamin Denef, Edith Wouters, Leo Van Broeck, Marc Schepers, Tim Vekemans en Cente Van Hout. Vanuit hun uiteenlopende achtergronden en expertises belichten zij elk op hun manier de ruimtelijke vraagstukken van vandaag.