{define} en Frantzen et al realiseren voor MASEREEL circulair kunstenaarspaviljoen rond collectief hart

  • image
  • image
  • image
  • image
  • image
  • image
  • image

Kunstencentrum MASEREEL in Kasterlee heeft zijn nieuwe kunstenaarspaviljoen in gebruik genomen. Het compacte, cirkelvormige gebouw van het Brugse {define} en het Amsterdamse Frantzen et al vervangt de tien afzonderlijke kunstenaarswoningen uit de jaren zeventig en vormt het sluitstuk van een meerjarig masterplan voor de site. De architecten werden bijgestaan door TECH3 voor de technieken, Denkbar voor de stabiliteit en Kubiek voor de EPB-verslaggeving, terwijl landschapsarchitect Aldrik Heirman instond voor de landschappelijke inpassing. Het paviljoen werd op 27 mei opgeleverd en begin juni tijdens kunstenfestival OPEN MASEREEL aan het publiek voorgesteld.

Met de nieuwbouw kiest MASEREEL niet voor een eigentijdse versie van de vroegere verspreide paviljoentjes, maar voor een fundamenteel ander woonmodel. Negen verblijfsunits voor maximaal 26 residenten worden samengebracht in één volume, waarin individueel verblijf wordt gecombineerd met gedeelde ruimtes. De compacte opzet moet tegelijk afzondering en ontmoeting mogelijk maken: kunstenaars kunnen zich terugtrekken in hun eigen verblijf, terwijl een gemeenschappelijke keuken, leefruimte en beschutte buitenruimtes het collectieve leven ondersteunen. Zo vertaalt de architectuur de dubbele behoefte die inherent is aan een residentieplek: geconcentreerd kunnen werken en tegelijk deel uitmaken van een tijdelijke gemeenschap.

Een cirkel tussen de bomen

De cirkelvorm is meer dan een formeel gebaar. Door de voormalige, verspreide verblijven samen te brengen in één compact gebouw wordt het ruimte- en materiaalgebruik beperkt, terwijl de residenties zich naar het omliggende landschap richten. Het paviljoen nestelt zich tussen de bestaande bebouwing en sluit met zijn geometrie aan bij andere ronde gebouwen op het terrein. Een nieuw, meanderend pad verbindt het met vier van die volumes en maakt de nieuwbouw onderdeel van een groter landschappelijk ensemble. De ingreep zoekt daarmee niet zozeer het contrast op, maar bouwt voort op de kwaliteiten en het herkenbare karakter van de bestaande site.

Ook dichter bij het gebouw speelt het landschap een actieve rol. Rond het volume ontstaan door beplanting, schaduw en inrichting verschillende buitenkamers voor rust en informele ontmoeting. Rondom lopende terrassen vormen daarbij een overgangszone tussen interieur en landschap: ze vergroten de verblijfsruimte van de residenten en bieden beschutte plekken van waaruit de bosrijke omgeving voortdurend aanwezig blijft. Tegelijk vervullen ze een bouwfysische functie doordat ze rechtstreeks zonlicht weren en zo het risico op oververhitting beperken. Architectuur, landschap en klimaatbeheersing worden hier met één relatief eenvoudige ingreep met elkaar verbonden.

Privé aan de rand, collectief in het hart

Binnen wordt de tegenstelling tussen collectiviteit en afzondering verder uitgewerkt. Op het gelijkvloers vormen de gemeenschappelijke keuken en leefruimte het sociale hart van het gebouw, rechtstreeks verbonden met de buitenruimte. De verblijfsunits zijn verdeeld over het gelijkvloers en de bovenliggende verdiepingen. In de hoeken van de bovenverdiepingen ontstaan polyvalente plekken met uitzicht op de omgeving, die verschillende vormen van gebruik toelaten. Volwaardige ateliers ontbreken bewust in het paviljoen: daarvoor kunnen residenten terecht in de bestaande werkruimtes van MASEREEL. Kurkwanden in de verblijven maken het wel mogelijk om tekeningen, papier of ander werk tijdelijk op te hangen.

De individuele units zijn ingericht om verschillende vormen van verblijf mogelijk te maken. Elke verblijfplaats beschikt over twee eenpersoonsbedden, een mezzanine met bijkomend bed en eigen sanitair, waardoor kunstenaars ook familieleden kunnen meenemen. Die relatief compacte private ruimtes krijgen betekenis in combinatie met de gedeelde delen en de terrassen rondom. De architectuur probeert zo niet alle functies binnen één kamer op te lossen, maar verdeelt het dagelijkse leven over verschillende gradaties van privacy: van de eigen verblijfsunit via de collectieve binnenruimtes tot de terrassen en het omliggende landschap.

Drie stalen ringen rond een houten kern

De mogelijkheid om het gebouw later anders te organiseren zit nadrukkelijk in de draagstructuur ingebouwd. Centraal staat een kern in CLT waarin de badkamers rond een verticale technische koker zijn gegroepeerd. Vanuit die kern overspannen primaire houten liggers de verdiepingen tot aan drie metalen ringen aan de buitenzijde. Daardoor hoeven noch de binnenwanden noch de gevelwanden een dragende functie op te nemen. Iedere verdieping kan onafhankelijk worden ingedeeld en kan in de toekomst worden aangepast zonder dat daarvoor aan de primaire draagstructuur moet worden geraakt. Het gebouw is met andere woorden niet ontworpen rond één onveranderlijk gebruiksscenario.

Die structurele logica is tegelijk een belangrijk onderdeel van de circulaire ambitie van het project. De volledige draagconstructie werd zo ontworpen dat ze eenvoudig en zonder destructieve ingrepen uit elkaar kan worden gehaald. Demonteerbaarheid is daarmee geen bijkomende eigenschap van afzonderlijke bouwcomponenten, maar een principe dat de opbouw van het hele gebouw bepaalt. De combinatie van een centrale houten kern, houten liggers en stalen buitenringen levert een flexibel kader op waarbinnen toekomstige aanpassingen mogelijk blijven. De niet-destructieve demontage en reversibele verbindingen moeten bovendien het hergebruik of de herconfiguratie van onderdelen vergemakkelijken.

Hergebruik als zichtbaar bouwmateriaal

Het paviljoen fungeerde als pilootproject binnen de Europese Green Deal voor circulair bouwen en werd van ontwerp tot oplevering getoetst aan het duurzaamheidsinstrument GRO. Die ambitie wordt concreet in de materiaalkeuzes. Bestaande dakleien kregen een tweede leven als gevelbekleding, terwijl aanwezige kasseien werden verzaagd en opnieuw gebruikt als toegankelijke bestrating. Voor nieuwe materialen werd ingezet op biogebaseerde oplossingen en omkeerbare verbindingen. Ook een materialenpaspoort en een LCA-aanpak maken deel uit van de circulaire strategie van het project.

Ook voor de klimaatbeheersing kiest het ontwerp voor een combinatie van eenvoudige bouwkundige maatregelen en hernieuwbare technieken. De compactheid van het volume beperkt zowel het materiaalgebruik als de energievraag, terwijl de rondomlopende terrassen als passieve zonwering functioneren. Voor de verwarming worden warmtepompen ingezet en op het groendak liggen zonnepanelen. De duurzaamheidsstrategie wordt zo gedragen door een reeks samenhangende keuzes op het vlak van vorm, constructie, materiaal en gebruik. Vooral de combinatie van compact bouwen, passieve zonwering en een demonteerbare structuur maakt de circulaire ambitie ook architecturaal zichtbaar.

Een gebouw voor veranderend gebruik

Naast die technische flexibiliteit bevat het paviljoen ook subtielere verwijzingen naar de artistieke context waarin het staat. De negen verblijven dragen namen die teruggaan op 8+1, een reeks ontwerpen van de Belgische kunstenaar Jan Vercruysse voor de covers van een nooit gerealiseerd tijdschrift. Elke voorpagina was gewijd aan een vrouw uit de geschiedenis of literatuur, waardoor namen als Aphrodite, Helena, Judith en Cleopatra nu op de deuren van de kunstenaarsverblijven verschijnen. Het is een kleine ingreep die de nieuwe architectuur rechtstreeks verbindt met de kunstpraktijk en geschiedenis van MASEREEL.

Begin juni werd het gebouw tijdens OPEN MASEREEL voor het eerst zelf een plek voor artistieke interventies. Zes alumni kregen carte blanche om er een soloproject te presenteren, terwijl ook een nieuwe buitensculptuur van Daniel Dewar en Grégory Gicquel en een permanente interventie van Patrick Van Caeckenbergh werden ingehuldigd. Vanaf 29 juni namen de eerste residenten daadwerkelijk hun intrek. Daarmee krijgt het gebouw de rol waarvoor het werd ontworpen: als flexibel kader voor tijdelijk wonen, ontmoeting en artistieke uitwisseling. Na de afzonderlijke paviljoentjes uit de jaren zeventig kiest MASEREEL zo voor een collectiever model waarin landschap, veranderbaarheid en circulair bouwen samenkomen.

Bron {define}, Mediahuis & Departement Cultuur, Jeugd en Media

  • Deel dit artikel

Onze partners