OPINIE. Laat die 50.000 sociale woningen niet meteen verrijzen op onze ongerepte ‘greenfields’ (Véronique Claessens)
“De Vlaamse doelstelling om 50.000 sociale huurwoningen te bouwen, is prijzenswaardig. Maar het risico bestaat dat het laaghangend fruit eerst wordt geplukt: het bebouwen van Vlaamse ‘greenfields’,” schrijft Vlaams Bouwmeester Véronique Claessens.
Op 3 april besliste de Vlaamse regering over het nieuw Bindend Sociaal Objectief: tegen 2042 moeten 50.000 nieuwe sociale huurwoningen gebouwd worden. Ze worden verdeeld over de lokale besturen, die ieder een groeipad krijgen met tussentijdse doelstellingen in 2030 en 2036.
De nood aan betaalbaar en kwaliteitsvol wonen in Vlaanderen is groot. Het aandeel sociale woningen bedraagt vandaag slechts 6 procent, de wachtlijsten zijn ellenlang en het aanbod moet drastisch omhoog. Als Vlaams Bouwmeester juich ik de inhaalbeweging toe, en samen met mijn team wil ik graag bijdragen aan een geïntegreerde aanpak ervan. Het Bindend Sociaal Objectief vormt immers niet alleen een kwantitatieve uitdaging. Willen we voorkomen dat de bouwcampagne ongewenste effecten zou hebben, dan moeten we erover waken dat ze ook aan een andere urgente maatschappelijke doelstelling beantwoordt: de realisatie van de bouwshift. Hoe bouwen we bijkomende woningen zonder open ruimte aan te snijden? Hoe zorgen we ervoor dat de nieuwe woningen tot stand komen via verdichting en reconversie van reeds bebouwde gebieden, in de nabijheid van openbaar vervoer en voorzieningen? En hoe blijven de architecturale en woonkwaliteit gegarandeerd?
Verouderde woonwijken
Door de inhaalbeweging die de sociale woonmaatschappijen vandaag moeten maken, bestaat het risico dat het laaghangend fruit eerst wordt geplukt: het bebouwen van de resterende, ongerepte greenfields die in het verleden aan voordelige tarieven door de woonmaatschappijen werden verworven op minder wenselijke locaties. Naast de kwantitatieve doelstellingen van het Bindend Sociaal Objectief, zijn er daarom ook ruimtelijke en kwalitatieve targets nodig voor sociale woonprojecten.
De middelen die Vlaanderen voorziet voor sociaal wonen, zouden ook ingezet kunnen worden om beter gelegen gronden te verwerven. Tegelijk stellen we vast dat verouderde sociale woonwijken vaak kansen bieden voor reconversie en verdichting, maar dat die onvoldoende worden benut. De herontwikkeling van bestaande wijken vereist immers een complexere aanpak. Als Bouwmeester kan ik hier ondersteuning bieden door pilootprojecten te begeleiden, die ook experimenteerruimte kunnen bieden aan nieuwe woonvormen, een kwaliteitsvollere en klimaatadaptieve inrichting van het publiek domein, of meer verweving met andere (buurt)functies.
Taskforce wonen-ruimte
Om het aanbod betaalbaar wonen te vergroten, zullen we ook met private partners moeten samenwerken. De goed gelegen gronden in handen van sociale woonmaatschappijen zijn immers ontoereikend voor de berekende vraag. Maar ook voor de lagere-inkomensgroepen die geen recht hebben op een sociale woning moeten we een alternatief en structureel betaalbaar aanbod ontwikkelen. Een aantal private partijen maakt reeds de omslag van snelle winst en verkoop naar andere woonmodellen, op moeilijker te verdichten locaties. Lokale besturen en de Vlaamse overheid kunnen zulke initiatieven ondersteunen, of zelfs – zoals in veel buitenlandse steden reeds gebeurt – een bepaald percentage sociale en betaalbare woningen opleggen bij private projecten vanaf een bepaalde schaal. Die woningen kunnen vervolgens beheerd worden door sociale woonmaatschappijen of stedelijke huurbedrijven. Zo kan ook ruimte gecreëerd worden voor gemengde woonwijken, waarin sociaal wonen gecombineerd wordt met niet-winstgedreven woonmodellen, zoals coöperatief wonen, én private woningen.
Ten slotte is het van belang om de woonuitdagingen in een bepaalde stad of gemeente niet los te zien van die in de omliggende gemeenten. Omdat Vlaanderen historisch is ontwikkeld als een netwerk van kleinere steden en kernen, verbonden via een uitgebreid spoor- en wegennetwerk, hebben het woonbeleid en het woonaanbod op één plek impact op andere gemeenten binnen dezelfde woonregio. Dat betekent dat het woonbeleid bovenlokaal en in overeenstemming met investeringen in openbaar vervoer ontwikkeld moet worden. Voor die opdracht is het van belang dat het Departement Omgeving en het Agentschap Wonen verder samenwerken, zoals ze nu reeds doen in het kader van de taskforce wonen-ruimte. Ook daaraan willen we met het Team Vlaams Bouwmeester graag onze bijdrage blijven leveren.
Véronique Claessens is Vlaams Bouwmeester. Dit opiniestuk verscheen eerder in de krant De Standaard.